Na een wat onrustige nacht en een sober ontbijt naar de markt in Montalivet-les-Bains, die enorm bleek te zijn en, zo leerden wij, in het zomerseizoen honderd dagen achtereen aanhoudt. Daar gaan we de komende week nog veel plezier aan beleven want OMG wat een heerlijkheden! Ontdekking: de kazen uit Frans Baskenland, aan de noordzijde van de Pyreneeën, waar de kwaliteit van de melk, in tegenstelling tot de zuidzijde, niet door te veel zon wordt aangetast. Daarna op ‘t strand gelegen, terwijl de klusjesman de wc repareerde.

Bij vertrek bleek het slot van onze auto gemold, waardoor de portieren gesloten bleven en de auto niet langer kon worden gebruikt. Dan maar lopend naar het station, koffers achter ons aan slepend. Na een voorspoedige vlucht om 16:15 u. op het vliegveld van Bordeaux geland, onze huurauto (witte Fiat Panda) opgehaald en naar Montalivet-les-Bains gereden. Fijn weer, felgroene bossen (lange, aangelegde, regelmatige rijen naaldbomen). Het geadverteerde droomhuis bleek een echt droomhuis te zijn, zij het met een kapotte wc (doorspoelen met behulp van een emmer water biedt voorlopig uitkomst). Daarna naar de zee gewandeld en een smakelijk hapje gegeten (koffie met cognac na).
In het vliegtuig las ik in Seven American Poets in Conversation (Between The Lines, 2008) een lang interview met John Ashbery; over inspiratie gesproken:
'Anyway, I remember I decided to write a long prose poem, because I realized that I hadn't done this before, and I was trying to think of something I hadn't done before. I started writing the first one, and decided it would be a nice idea to have three of them. I thought of them as three oblong empty boxes to be filled with anything. I remember discussing it with my analyst, Carlos (a Chilean); I said, “I'm writing these three long prose poems, but I can't think of anything to put in them,” and he said, “Why don't you think about all the people who've meant most to you in your life, and then don't write about them, but write about what you think when you think about them?” I thought this a good idea, though I'm not sure I ever actually did it.'

Bij vertrek bleek het slot van onze auto gemold, waardoor de portieren gesloten bleven en de auto niet langer kon worden gebruikt. Dan maar lopend naar het station, koffers achter ons aan slepend. Na een voorspoedige vlucht om 16:15 u. op het vliegveld van Bordeaux geland, onze huurauto (witte Fiat Panda) opgehaald en naar Montalivet-les-Bains gereden. Fijn weer, felgroene bossen (lange, aangelegde, regelmatige rijen naaldbomen). Het geadverteerde droomhuis bleek een echt droomhuis te zijn, zij het met een kapotte wc (doorspoelen met behulp van een emmer water biedt voorlopig uitkomst). Daarna naar de zee gewandeld en een smakelijk hapje gegeten (koffie met cognac na).

In het vliegtuig las ik in Seven American Poets in Conversation (Between The Lines, 2008) een lang interview met John Ashbery; over inspiratie gesproken:

'Anyway, I remember I decided to write a long prose poem, because I realized that I hadn't done this before, and I was trying to think of something I hadn't done before. I started writing the first one, and decided it would be a nice idea to have three of them. I thought of them as three oblong empty boxes to be filled with anything. I remember discussing it with my analyst, Carlos (a Chilean); I said, “I'm writing these three long prose poems, but I can't think of anything to put in them,” and he said, “Why don't you think about all the people who've meant most to you in your life, and then don't write about them, but write about what you think when you think about them?” I thought this a good idea, though I'm not sure I ever actually did it.'
De gedachte dat ik na negen poëziebundels toe zou zijn aan een overzichtswerk bracht me op het idee om mijn volledige oeuvre te herschrijven. Dit idee neemt langzamerhand concretere vormen aan. Ik wil van elk gedicht een samenvatting maken, circa 10% van de oorspronkelijke tekst, en een persoonlijke leeservaring waarin ik kom tot een oordeel, dat wil zeggen een ‘geformuleerde mening, gevoelen’ ten aanzien van het gedicht. De uitwerking van dit idee zal me, vermoed ik, enige jaren zoet houden.
Wat me vandaag verder bezighoudt: onze vakantie die morgen begint. We vliegen naar Bordeaux, pikken een huurauto op en rijden vervolgens zo’n tachtig kilometer noordwest om in Montalivet, aan het strand en in de Landes du Médoc, neer te strijken. Tim blijft thuis, zal op ons huis passen. Nog te doen: uit de ongelezen stapel de boeken kiezen die ik mee wil nemen.

De gedachte dat ik na negen poëziebundels toe zou zijn aan een overzichtswerk bracht me op het idee om mijn volledige oeuvre te herschrijven. Dit idee neemt langzamerhand concretere vormen aan. Ik wil van elk gedicht een samenvatting maken, circa 10% van de oorspronkelijke tekst, en een persoonlijke leeservaring waarin ik kom tot een oordeel, dat wil zeggen een ‘geformuleerde mening, gevoelen’ ten aanzien van het gedicht. De uitwerking van dit idee zal me, vermoed ik, enige jaren zoet houden.

Wat me vandaag verder bezighoudt: onze vakantie die morgen begint. We vliegen naar Bordeaux, pikken een huurauto op en rijden vervolgens zo’n tachtig kilometer noordwest om in Montalivet, aan het strand en in de Landes du Médoc, neer te strijken. Tim blijft thuis, zal op ons huis passen. Nog te doen: uit de ongelezen stapel de boeken kiezen die ik mee wil nemen.

And the great advantage in that earlier period was that the art of the time was laboratory work; now it is diluted for public consumption.
Marcel Duchamp, 1946
Marcel Duchamp bedacht zijn grote werk ‘The Large Glass’ eerst op papier, beschreef het uitvoerig, maakte er (bouw)tekeningen van en ging daarna pas over tot vervaardiging. Zijn aantekeningen werden later als separate kunstwerken uitgegeven (‘Green Box’ en ‘White Box’). Duchamp imiteerde niet, maar experimenteerde en construeerde. In 21st-Century Modernism: The “New” Poetics vraagt Marjorie Perloff zich af wat er zou gebeuren als er nu een nieuwe avant-garde zou opstaan, die de gangbare ‘knusse, anekdotische en breed toegankelijke’ poëzie zou inruilen voor een voortzetting van de ‘experimenten van de vroegtwintigste eeuw?’ Ze verlangt naar constructieve kunstvormen die het publiek weer in enthousiasme doen ontsteken. Met de huidige gangbare poëzie heeft de literaire kritiek in de VS, van de Times Literary Supplement tot de New York Times Book Review, ‘korte metten’ gemaakt. Aldus Perloff. Ook in Nederland is van enige literaire opwinding over de poëzie al langer geen sprake meer.
Wat dan? Ik lees in The Writings of Marcel Duchamp onder het kopje ‘Het idee van fabricatie’ de volgende, door Duchamp bedachte constructie:
'Als een rechte, horizontaal gehouden draad van één meter lang van een hoogte van één meter op een horizontaal vlak valt, naar believen een vorm aanneemt en zo een nieuw beeld van de eenheid van lengte creëert.'
Ik geloof dat Perloff dergelijke constructieve kunstvormen op het oog heeft als ze Wittgenstein citeert: ‘To imagine a language means to imagine a form of life.’ Kunst als mogelijkheid.

Marcel Duchamp bedacht zijn grote werk ‘The Large Glass’ eerst op papier, beschreef het uitvoerig, maakte er (bouw)tekeningen van en ging daarna pas over tot vervaardiging. Zijn aantekeningen werden later als separate kunstwerken uitgegeven (‘Green Box’ en ‘White Box’). Duchamp imiteerde niet, maar experimenteerde en construeerde. In 21st-Century Modernism: The “New” Poetics vraagt Marjorie Perloff zich af wat er zou gebeuren als er nu een nieuwe avant-garde zou opstaan, die de gangbare ‘knusse, anekdotische en breed toegankelijke’ poëzie zou inruilen voor een voortzetting van de ‘experimenten van de vroegtwintigste eeuw?’ Ze verlangt naar constructieve kunstvormen die het publiek weer in enthousiasme doen ontsteken. Met de huidige gangbare poëzie heeft de literaire kritiek in de VS, van de Times Literary Supplement tot de New York Times Book Review, ‘korte metten’ gemaakt. Aldus Perloff. Ook in Nederland is van enige literaire opwinding over de poëzie al langer geen sprake meer.

Wat dan? Ik lees in The Writings of Marcel Duchamp onder het kopje ‘Het idee van fabricatie’ de volgende, door Duchamp bedachte constructie:

'Als een rechte, horizontaal gehouden draad van één meter lang van een hoogte van één meter op een horizontaal vlak valt, naar believen een vorm aanneemt en zo een nieuw beeld van de eenheid van lengte creëert.'

Ik geloof dat Perloff dergelijke constructieve kunstvormen op het oog heeft als ze Wittgenstein citeert: ‘To imagine a language means to imagine a form of life.’ Kunst als mogelijkheid.

In Monets schilderijen vind ik pure schoonheid. Ik raak nooit uitgekeken. Monet leed, net als ik nu, aan staar. Volgens de Amerikaanse oogartsen Michael Marmor en James Ravin heeft deze ziekte zijn werk direct beïnvloed. Voor Monet werd de wereld om hem heen steeds waziger en valer van kleur. En dat zien we volgens Marmor en Ravin o.a. terug in zijn ‘waterlelies’, die enorme afmetingen hebben, haast abstract zijn en minder fel van kleur dan eerdere schilderijen. Of dit nu waar is of niet, ik vind de Nymphéas prachtig! Drie jaar voor zijn dood liet Monet zich alsnog aan zijn ogen opereren (hij had uit angst voor totale blindheid jarenlang geweigerd) en kon daarna weer beter zien. Ik was dan ook erg in mijn nopjes toen ik online een ingekleurde foto van Monet tegenkwam, tussen enkele van zijn waterlelies, en nam de gelegenheid te baat om even bij een van mijn helden te gaan staan.
Vanochtend is de gifbelt in mijn mond, zes amalgaamvullingen, voor de helft gesaneerd. In oktober de rest.
In Een andere Boudewijn Büch: Terugblik op een vriendschap (Uitgeverij Aspekt, 2e geheel herziene en verbeterde druk, 2006) claimt de auteur, Harry G.M. Prick, een aandeel in Büchs debuutroman De blauwe salon, dat Prick gedeeltelijk zou hebben herschreven:
'Ik [Prick] heb daarmee op het oog al die eindeloze sessies waarin met de (weinig of niets voorstellende) “hulp” van de auteur [Büch], toch enigermate chocola moest worden gemaakt van het krakkemikkigste proza, dat ik niet had verwacht ooit onder Boudewijns handen vandaan te zien komen. […] Zelf bleek Boudewijn daartoe absoluut niet in staat. Erger nog: hij was er niet eens wezenlijk in geïnteresseerd. Ik mocht volledig mijn eigen gang gaan, als ik maar niet begon te zeuren over de duizend-en-een problemen waarmee die stapel papieren mij ontmoedigend confronteerde.'
Het lijkt, Prick is hier niet helemaal duidelijk over, te gaan om de eerste zestig van het ruim 180 pagina’s tellende verhaal, de afdeling waarover Maarten ‘t Hart in een recensie opmerkte: ‘Vooral het eerste gedeelte, De vlegeljaren, dat haast door Lodewijk van Deyssel bewerkt lijkt, vind ik goed.’ Tjonge, wat een gedoe. Niet lang hierna bekoelde de vriendschap tussen Büch en Prick overigens.

In Monets schilderijen vind ik pure schoonheid. Ik raak nooit uitgekeken. Monet leed, net als ik nu, aan staar. Volgens de Amerikaanse oogartsen Michael Marmor en James Ravin heeft deze ziekte zijn werk direct beïnvloed. Voor Monet werd de wereld om hem heen steeds waziger en valer van kleur. En dat zien we volgens Marmor en Ravin o.a. terug in zijn ‘waterlelies’, die enorme afmetingen hebben, haast abstract zijn en minder fel van kleur dan eerdere schilderijen. Of dit nu waar is of niet, ik vind de Nymphéas prachtig! Drie jaar voor zijn dood liet Monet zich alsnog aan zijn ogen opereren (hij had uit angst voor totale blindheid jarenlang geweigerd) en kon daarna weer beter zien. Ik was dan ook erg in mijn nopjes toen ik online een ingekleurde foto van Monet tegenkwam, tussen enkele van zijn waterlelies, en nam de gelegenheid te baat om even bij een van mijn helden te gaan staan.

Vanochtend is de gifbelt in mijn mond, zes amalgaamvullingen, voor de helft gesaneerd. In oktober de rest.

In Een andere Boudewijn Büch: Terugblik op een vriendschap (Uitgeverij Aspekt, 2e geheel herziene en verbeterde druk, 2006) claimt de auteur, Harry G.M. Prick, een aandeel in Büchs debuutroman De blauwe salon, dat Prick gedeeltelijk zou hebben herschreven:

'Ik [Prick] heb daarmee op het oog al die eindeloze sessies waarin met de (weinig of niets voorstellende) “hulp” van de auteur [Büch], toch enigermate chocola moest worden gemaakt van het krakkemikkigste proza, dat ik niet had verwacht ooit onder Boudewijns handen vandaan te zien komen. […] Zelf bleek Boudewijn daartoe absoluut niet in staat. Erger nog: hij was er niet eens wezenlijk in geïnteresseerd. Ik mocht volledig mijn eigen gang gaan, als ik maar niet begon te zeuren over de duizend-en-een problemen waarmee die stapel papieren mij ontmoedigend confronteerde.'

Het lijkt, Prick is hier niet helemaal duidelijk over, te gaan om de eerste zestig van het ruim 180 pagina’s tellende verhaal, de afdeling waarover Maarten ‘t Hart in een recensie opmerkte: ‘Vooral het eerste gedeelte, De vlegeljaren, dat haast door Lodewijk van Deyssel bewerkt lijkt, vind ik goed.’ Tjonge, wat een gedoe. Niet lang hierna bekoelde de vriendschap tussen Büch en Prick overigens.

Met Tikoes in het Diemerbos.

Met Tikoes in het Diemerbos.

In de onmetelijke uitgestrektheid van de landerijen der poëzie spot ik plotsklaps, via The Paris Review, een gedicht van Robert Creeley dat ik eerder moet hebben gelezen, vergeten moet zijn en dat me nu (wel? opnieuw?) ogenblikkelijk pakt. ‘The Dishonest Mailmen’ werd voor het eerst gepubliceerd in Creeley’s tweede bundel, For Love: Poems 1950-1960 (Charles Scribner’s Sons, 1962). Ik moet het gelezen hebben in The Collected Poems of Robert Creeley: 1945-1975 (University of California Press, 2006), dat ik enkele jaren geleden aanschafte. Het gedicht schept een sfeer die even ongrijpbaar als essentieel poëtisch is. Ik bespeur in dit gedicht méér dan mijn weten kan kennen, iets wat ontsnapt aan analyse en meting. En dat ‘iets’ wordt door het gedicht in een menselijk perspectief gebracht, in sporen omgezet die door de intuïtie kunnen worden opgepikt. Een werkvertaling:
DE ONEERLIJKE POSTBODES
Ze nemen al mijn brieven mee en ze
gooien ze in het vuur.
                                   Ik zie de vlammen etc.
Maar het kan me niks schelen etc.
Ze verbranden alles wat ik heb, of het weinige
wat ik heb. Het kan me niks schelen etc.
Het opperste gedicht, gericht tot
ledigheid - dat is de moed
die nodig is. Dat is iets
heel anders.
Of, misschien, bevalt het gedicht me nu beter, nu ik door mijn ziekte de broosheid des levens, die onvermijdelijk tot de grote leegte leidt, nadrukkelijker ervaar, dan toen ik de regels voor de eerste keer las. Ondanks de blijvende raadselachtigheid heb ik het gevoel dat dit gedicht raakt aan wat werkelijk, wezenlijk is.

In de onmetelijke uitgestrektheid van de landerijen der poëzie spot ik plotsklaps, via The Paris Review, een gedicht van Robert Creeley dat ik eerder moet hebben gelezen, vergeten moet zijn en dat me nu (wel? opnieuw?) ogenblikkelijk pakt. ‘The Dishonest Mailmen’ werd voor het eerst gepubliceerd in Creeley’s tweede bundel, For Love: Poems 1950-1960 (Charles Scribner’s Sons, 1962). Ik moet het gelezen hebben in The Collected Poems of Robert Creeley: 1945-1975 (University of California Press, 2006), dat ik enkele jaren geleden aanschafte. Het gedicht schept een sfeer die even ongrijpbaar als essentieel poëtisch is. Ik bespeur in dit gedicht méér dan mijn weten kan kennen, iets wat ontsnapt aan analyse en meting. En dat ‘iets’ wordt door het gedicht in een menselijk perspectief gebracht, in sporen omgezet die door de intuïtie kunnen worden opgepikt. Een werkvertaling:

DE ONEERLIJKE POSTBODES

Ze nemen al mijn brieven mee en ze
gooien ze in het vuur.

                                   Ik zie de vlammen etc.
Maar het kan me niks schelen etc.

Ze verbranden alles wat ik heb, of het weinige
wat ik heb. Het kan me niks schelen etc.

Het opperste gedicht, gericht tot
ledigheid - dat is de moed

die nodig is. Dat is iets
heel anders.

Of, misschien, bevalt het gedicht me nu beter, nu ik door mijn ziekte de broosheid des levens, die onvermijdelijk tot de grote leegte leidt, nadrukkelijker ervaar, dan toen ik de regels voor de eerste keer las. Ondanks de blijvende raadselachtigheid heb ik het gevoel dat dit gedicht raakt aan wat werkelijk, wezenlijk is.

Terwijl het zeek van de regen vanochtend aan het 1hundred1 namenregister gewerkt; een heidens karwei. Ik vind een register overzichtelijker dan tags en zoekmachines. Het is nog lang niet af. Daarna naar de markt gefietst voor een harinkje met zuur en ui.
's Middags Koos van Zomerens Naar de natuur uitgelezen. Heel fijn boek, vol weetfeitjes. Ik ben een weetfeitjesfetisjist. Het procédé van het boek is gelijk aan dat van Nog in morgens gemeten: Nieuw Herwijns dagboek:  in dagboekvorm besteedt Van Zomeren langere tijd aandacht aan één onderwerp, een moord in Herwijnen of de natuur in Nederland. Met veel humor ook:'Die milde, gestaag voortgaande zomerregen: moeilijk te begrijpen dat ik daar zo van opfleur - misschien moet je daarvoor inderdaad iets plantaardigs hebben.'
Dit procédé zou ook goed werken voor een blog, Van Zomeren zou een flitsende blogger zijn. In Naar de natuur trekt hij verscheidene conclusies, waarvan ik dit de minst deprimerende vind:'Bij Henk S. in Wijchen. We hadden het over de leeftijd van reptielen in evolutionaire zin. En die van mestkevers. En die van bomen. “Wij denken dat het allemaal om intelligentie en bewustzijn draait,” zei ik, “maar als ik van mijn bomenboek één ding geleerd heb, is het wel dat de evolutie heel goed zonder kan.” Waarop Henk zei: “De mens is een experiment, en als je het mij vraagt een mislukt experiment.” De kwestie is dan - om van mislukking te kunnen spreken, moet je de natuur een doel toekennen, en wie zou dat anders moeten doen dan de mens?'
Nadat ik Van Zomeren had weggelegd drong zich nog een dwarrelgedachte over poëzie aan me op: als je wilt zien wat poëzie werkelijk in haar mars heeft, moet je aan de randen van haar ontwikkelingsgebied zijn: daar presteert zij maximaal.

Terwijl het zeek van de regen vanochtend aan het 1hundred1 namenregister gewerkt; een heidens karwei. Ik vind een register overzichtelijker dan tags en zoekmachines. Het is nog lang niet af. Daarna naar de markt gefietst voor een harinkje met zuur en ui.

's Middags Koos van Zomerens Naar de natuur uitgelezen. Heel fijn boek, vol weetfeitjes. Ik ben een weetfeitjesfetisjist. Het procédé van het boek is gelijk aan dat van Nog in morgens gemeten: Nieuw Herwijns dagboek: in dagboekvorm besteedt Van Zomeren langere tijd aandacht aan één onderwerp, een moord in Herwijnen of de natuur in Nederland. Met veel humor ook:

'Die milde, gestaag voortgaande zomerregen: moeilijk te begrijpen dat ik daar zo van opfleur - misschien moet je daarvoor inderdaad iets plantaardigs hebben.'

Dit procédé zou ook goed werken voor een blog, Van Zomeren zou een flitsende blogger zijn. In Naar de natuur trekt hij verscheidene conclusies, waarvan ik dit de minst deprimerende vind:

'Bij Henk S. in Wijchen. We hadden het over de leeftijd van reptielen in evolutionaire zin. En die van mestkevers. En die van bomen. “Wij denken dat het allemaal om intelligentie en bewustzijn draait,” zei ik, “maar als ik van mijn bomenboek één ding geleerd heb, is het wel dat de evolutie heel goed zonder kan.” Waarop Henk zei: “De mens is een experiment, en als je het mij vraagt een mislukt experiment.” De kwestie is dan - om van mislukking te kunnen spreken, moet je de natuur een doel toekennen, en wie zou dat anders moeten doen dan de mens?'

Nadat ik Van Zomeren had weggelegd drong zich nog een dwarrelgedachte over poëzie aan me op: als je wilt zien wat poëzie werkelijk in haar mars heeft, moet je aan de randen van haar ontwikkelingsgebied zijn: daar presteert zij maximaal.

Vandaag naar Mierlo afgereisd om samen met Olaf Risee voor W.V.T.T.K. Martijn Benders te interviewen. Martijn werd vroeger wel als een enfant terrible van de Nederlandse poëzie gezien. Tegenwoordig zijn er, ondanks het feit dat hij nog altijd tegendraads of onconventioneel kan zijn, vooral lovende woorden voor zijn dichtwerk. ‘Ik geef slechts mijn mening,’ zegt hij dan.
Op zijn negentiende stuurde Martijn een pak gedichten naar De Bezige Bij en werd afgewezen. De nette afwijzingsbrief, waarin hij werd vergeleken met Bloem, Marsman en Achterberg, zette hem wel aan tot verder dichten. Omdat hij op dat moment nog nooit een poëziebundel van een ander had gelezen, startte hij met de drie voornoemde dichters. ‘Ik wilde weten met wie ik werd vergeleken.’ Hij vond hun werk maar niks.
Tegenwoordig, gerijpt en belezen, stelt hij zich op het standpunt ‘dat dichters die zichzelf niet kunnen duiden, nooit een goed dichter kunnen zijn.’ Binnenkort valt het interview online te beluisteren.

Vandaag naar Mierlo afgereisd om samen met Olaf Risee voor W.V.T.T.K. Martijn Benders te interviewen. Martijn werd vroeger wel als een enfant terrible van de Nederlandse poëzie gezien. Tegenwoordig zijn er, ondanks het feit dat hij nog altijd tegendraads of onconventioneel kan zijn, vooral lovende woorden voor zijn dichtwerk. ‘Ik geef slechts mijn mening,’ zegt hij dan.

Op zijn negentiende stuurde Martijn een pak gedichten naar De Bezige Bij en werd afgewezen. De nette afwijzingsbrief, waarin hij werd vergeleken met Bloem, Marsman en Achterberg, zette hem wel aan tot verder dichten. Omdat hij op dat moment nog nooit een poëziebundel van een ander had gelezen, startte hij met de drie voornoemde dichters. ‘Ik wilde weten met wie ik werd vergeleken.’ Hij vond hun werk maar niks.

Tegenwoordig, gerijpt en belezen, stelt hij zich op het standpunt ‘dat dichters die zichzelf niet kunnen duiden, nooit een goed dichter kunnen zijn.’ Binnenkort valt het interview online te beluisteren.