Ik eindig mijn reeks yogaoefeningen ‘s ochtends altijd languit op de grond, in de zogenaamde lijkhouding, liggend op m’n rug, met voeten die naar buiten vallen en handpalmen die naar ‘t plafond zijn gekeerd. In die houding, waarin het leven wordt aangevangen en volbracht, probeer ik dan met gesloten ogen alle spieren te ontspannen. Van de week raceten er, ik bíjna helemaal relaxed, plots twee katten over me heen, sprongen van bovenbeen naar bovenbeen, m’n liestreek net missend. Sindsdien doe ik als ik yogaoefeningen doe de kamerdeur dicht.
What else today? Naar de kapper geweest, op de markt een wilde zeebaars gehaald om in een korst van zeezout te laten garen, kapot glas uit de tuindeur verwijderd en Peter Verhelsts Zoo van het denken (Prometheus, 2011) uitgelezen: 4 antarctische sterren waard.
We weten niet meer wie
of wat
te doen met zo’n handvol geheime, verboden hitte uit ons lijf. Deze kou
is ons geloof aan het worden. Huil niet
of je oogbollen bevriezen. Maar blijf alsjeblieft
je hand bewegen.

Ik eindig mijn reeks yogaoefeningen ‘s ochtends altijd languit op de grond, in de zogenaamde lijkhouding, liggend op m’n rug, met voeten die naar buiten vallen en handpalmen die naar ‘t plafond zijn gekeerd. In die houding, waarin het leven wordt aangevangen en volbracht, probeer ik dan met gesloten ogen alle spieren te ontspannen. Van de week raceten er, ik bíjna helemaal relaxed, plots twee katten over me heen, sprongen van bovenbeen naar bovenbeen, m’n liestreek net missend. Sindsdien doe ik als ik yogaoefeningen doe de kamerdeur dicht.

What else today? Naar de kapper geweest, op de markt een wilde zeebaars gehaald om in een korst van zeezout te laten garen, kapot glas uit de tuindeur verwijderd en Peter Verhelsts Zoo van het denken (Prometheus, 2011) uitgelezen: 4 antarctische sterren waard.

We weten niet meer wie

of wat

te doen met zo’n handvol geheime, verboden hitte uit ons lijf. Deze kou
is ons geloof aan het worden. Huil niet

of je oogbollen bevriezen. Maar blijf alsjeblieft
je hand bewegen.
Ik lees oude 1hundred1 blogberichten door en kom een foto tegen die ik in augustus 2009 nam tijdens de dagopening van het door Dirk Vekemans georganiseerde poëziefestival Klebnikov Carnaval te Kessel-Lo, België. ‘s Avonds zou het wel drukker worden, dacht Dirk. Maar ik mocht direct na de opening de bühne op. Tijdens mijn optreden schoven er naast Dirk en Han van der Vegt nog een mens of vier, vijf aan. Het was bloedheet, herinner ik me. Na afloop van mijn optreden dronk ik nog een biertje en reed daarna weer naar Leeuwarden terug, waar we destijds woonden, een ritje van een uur of drie. Op de parkeerplaats verkocht ik nog snel een exemplaar van Aan een ster/ she argued, net uit toen, aan Xavier Roelens.

Ik lees oude 1hundred1 blogberichten door en kom een foto tegen die ik in augustus 2009 nam tijdens de dagopening van het door Dirk Vekemans georganiseerde poëziefestival Klebnikov Carnaval te Kessel-Lo, België. ‘s Avonds zou het wel drukker worden, dacht Dirk. Maar ik mocht direct na de opening de bühne op. Tijdens mijn optreden schoven er naast Dirk en Han van der Vegt nog een mens of vier, vijf aan. Het was bloedheet, herinner ik me. Na afloop van mijn optreden dronk ik nog een biertje en reed daarna weer naar Leeuwarden terug, waar we destijds woonden, een ritje van een uur of drie. Op de parkeerplaats verkocht ik nog snel een exemplaar van Aan een ster/ she argued, net uit toen, aan Xavier Roelens.

In Peter Verhelsts Zoo van het denken (Prometheus, 2011) kom ik in het gedicht ‘Ivoorbekspecht (Picus pileatus)’ de volgende zinnen tegen:
[…] Soms liggen we naast onszelf,
niet langer in staat te bewegen. We smeren ons in met cederolie
in de hoop door de spechten te worden bezocht. […]
Deze zinnen ontroeren me. Ze doen me denken aan een dierbare, die ooit aan automutilatie deed, in haar onderarmen sneed, om te voelen of ze nog leefde. Verhelst heeft met dit gedicht geen verwijzing naar een persoonlijkheidsstoornis op het oog gehad, vermoed ik; het gedicht gaat primair over de schuwe ivoorbekspecht ‘die zich in de wouden ophield ten zuiden van Ohio. In de twintigste eeuw leek hij uitgestorven, maar onlangs verschenen foto’s van enkele exemplaren op het web.’ De regels die op bovenstaand citaat volgen en tevens het gedicht afsluiten, geven hoop, op zowel het terugvinden van de verdwenen vogel als, in mijn versie, heling van de persoonlijkheidsstoornis:
[…] Soms liggen we naast onszelf,
niet langer in staat te bewegen. We smeren ons in met cederolie
in de hoop door de spechten te worden bezocht. De wind zingt
door de holtes, half jongen, half man. Op een dag vinden we
de ontbrekende helften.
Ik ben ook begonnen in het boek Een andere Boudewijn Büch: Terugblik op een vriendschap (Aspekt, 2e geheel herziene en verbeterde druk, 2006) van Harry G.M. Prick. Büch was enkele jaren nauw bevriend met Prick, destijds conservator van het Letterkundig Museum in Den Haag. Prick blijkt een fervent dagboekschrijver te zijn en reconstrueert gebeurtenissen tot in de kleinste details! Heerlijk! Noot 40 doet me een zoektocht naar een boek starten:
'Voor een niet gering deel was Boudewijns poëtica geïnspireerd dóór en hecht gegrondvest óp een oneindig aantal keren door hem bestudeerd boek van Rolf Kloepfer en Ursula Oomen, Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung, met de ondertitel: Entwurf einer descriptieven Poetik: Rimbaud, in 1970 verschenen bij Athenäum Verlag.’
Sinds Marjorie Perloff in 21st-Century Modernism: The “New” Poetics betoogde dat de vroege modernisten constructieve kunstvormen introduceerden, waarin constructie in plaats van mimesis de boventoon voerde en waarbij in het geval van poëzie taal ‘charged with meaning’ een belangrijke rol speelde: ready-mades, woordsculpturen, zaum, syntactische permutatie etc. zoek ik naar poëtica’s uit die tijd, eind negentiende, begin twintigste eeuw. Ik heb via AbeBooks een tweedehands exemplaar van Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung gevonden in Duitsland, voor € 15 inclusief verzendkosten, en besteld.

In Peter Verhelsts Zoo van het denken (Prometheus, 2011) kom ik in het gedicht ‘Ivoorbekspecht (Picus pileatus)’ de volgende zinnen tegen:

[…] Soms liggen we naast onszelf,
niet langer in staat te bewegen. We smeren ons in met cederolie

in de hoop door de spechten te worden bezocht. […]

Deze zinnen ontroeren me. Ze doen me denken aan een dierbare, die ooit aan automutilatie deed, in haar onderarmen sneed, om te voelen of ze nog leefde. Verhelst heeft met dit gedicht geen verwijzing naar een persoonlijkheidsstoornis op het oog gehad, vermoed ik; het gedicht gaat primair over de schuwe ivoorbekspecht ‘die zich in de wouden ophield ten zuiden van Ohio. In de twintigste eeuw leek hij uitgestorven, maar onlangs verschenen foto’s van enkele exemplaren op het web.’ De regels die op bovenstaand citaat volgen en tevens het gedicht afsluiten, geven hoop, op zowel het terugvinden van de verdwenen vogel als, in mijn versie, heling van de persoonlijkheidsstoornis:

[…] Soms liggen we naast onszelf,
niet langer in staat te bewegen. We smeren ons in met cederolie

in de hoop door de spechten te worden bezocht. De wind zingt
door de holtes, half jongen, half man. Op een dag vinden we
de ontbrekende helften.

Ik ben ook begonnen in het boek Een andere Boudewijn Büch: Terugblik op een vriendschap (Aspekt, 2e geheel herziene en verbeterde druk, 2006) van Harry G.M. Prick. Büch was enkele jaren nauw bevriend met Prick, destijds conservator van het Letterkundig Museum in Den Haag. Prick blijkt een fervent dagboekschrijver te zijn en reconstrueert gebeurtenissen tot in de kleinste details! Heerlijk! Noot 40 doet me een zoektocht naar een boek starten:

'Voor een niet gering deel was Boudewijns poëtica geïnspireerd dóór en hecht gegrondvest óp een oneindig aantal keren door hem bestudeerd boek van Rolf Kloepfer en Ursula Oomen, Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung, met de ondertitel: Entwurf einer descriptieven Poetik: Rimbaud, in 1970 verschenen bij Athenäum Verlag.’

Sinds Marjorie Perloff in 21st-Century Modernism: The “New” Poetics betoogde dat de vroege modernisten constructieve kunstvormen introduceerden, waarin constructie in plaats van mimesis de boventoon voerde en waarbij in het geval van poëzie taal ‘charged with meaning’ een belangrijke rol speelde: ready-mades, woordsculpturen, zaum, syntactische permutatie etc. zoek ik naar poëtica’s uit die tijd, eind negentiende, begin twintigste eeuw. Ik heb via AbeBooks een tweedehands exemplaar van Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung gevonden in Duitsland, voor € 15 inclusief verzendkosten, en besteld.

Ik werd vanochtend vroeg wakker, nog voor vijven, met een onrustig gevoel in de buik, een behoefte om op te staan en te gaan schrijven. Anderzijds gaf mijn lichaam ook aan dat het nog niet uitgeslapen was. Tussen deze twee behoeftes ontstond een innerlijke strijd, die na een half uurtje nog niet was beslecht. Ik besloot in te grijpen ten faveure van het lichaam, en legde mijn schrijf-ik geduldig uit dat voldoende slaap in mijn toestand een hogere prioriteit heeft dan een geestig blogbericht etc. Na deze zelfoverwinning weer ingedommeld.
Enkele weetfeitjes: (1) de zuurgraad van mijn lichaam is, vandaag gemeten, oké, (2) in 2015 verschijnen er bij Stanza twee boeken van mijn hand: (a) nieuwe en verzamelde gedichten, een totaaloverzicht van mijn oeuvre tot nu toe, en (b), louter als relatiegeschenk, een keuze uit vijf jaar 1hundred1 blogberichten. Toegift: vanmiddag samen met Hennie enkele uren door de weilanden rondom Schiphol gefietst. Ter versterking van het lichaam. En ook om het hoofd eventjes niks te laten doen.

Ik werd vanochtend vroeg wakker, nog voor vijven, met een onrustig gevoel in de buik, een behoefte om op te staan en te gaan schrijven. Anderzijds gaf mijn lichaam ook aan dat het nog niet uitgeslapen was. Tussen deze twee behoeftes ontstond een innerlijke strijd, die na een half uurtje nog niet was beslecht. Ik besloot in te grijpen ten faveure van het lichaam, en legde mijn schrijf-ik geduldig uit dat voldoende slaap in mijn toestand een hogere prioriteit heeft dan een geestig blogbericht etc. Na deze zelfoverwinning weer ingedommeld.

Enkele weetfeitjes: (1) de zuurgraad van mijn lichaam is, vandaag gemeten, oké, (2) in 2015 verschijnen er bij Stanza twee boeken van mijn hand: (a) nieuwe en verzamelde gedichten, een totaaloverzicht van mijn oeuvre tot nu toe, en (b), louter als relatiegeschenk, een keuze uit vijf jaar 1hundred1 blogberichten. Toegift: vanmiddag samen met Hennie enkele uren door de weilanden rondom Schiphol gefietst. Ter versterking van het lichaam. En ook om het hoofd eventjes niks te laten doen.

Naar aanleiding van enkele opmerkingen van Samuel Vriezen gisteren heb ik mijn fluctuatie/mutatie gedachte als volgt aangepast:
Ook binnen de poëzie kunnen we twee vormen van variatie waarnemen: fluctuatievariatie en mutatievariatie. De eerste gaat uit van variatie binnen de normaalverdeling, en de tweede van een sprongsgewijze variatie. Ontwikkelingen binnen de poëzie vinden plaats op basis van zowel fluctuatie als mutatie.
Naar aanleiding van een opmerking van Nanne Nauta heb ik nog wat naspeuringen gedaan en kom tot de conclusie dat Koen Vergeer wel de redacteur was van Johanna Geels’ tweede en mogelijk ook haar eerste bundel (beide verschenen bij Atlas) maar hoogstwaarschijnlijk niet van haar derde, Wildberichten (onlangs verschenen bij Marmer). Als recensent besprak Vergeer Wildberichten in het nieuwe nummer van de Poëziekrant (jul-aug 2014). Hij zei o.a. ‘dat [Geels] een van de belangrijkste Nederlandstalige dichters (m/v) van dit moment is.’ Geen doodzonde hoor, zo’n klef gebaar, de poëziescene is nou eenmaal piepklein en de leden moeten het vooral van elkaar hebben. Maar toch handig om te weten hoe het zit, in verband met het aanbrengen van een fijn onderscheid in de dingen bijvoorbeeld.
Sedar Sigo’s Language Arts (Wave Books, 2014) bekoort me bij vlagen, als de ploeterpoëzie wordt opgeleukt met een vleugje nonchalance. En hij weet dat zelf ook: ‘I don’t have ideas. I get to work, no talent, no genius but divination, painted dusk.’ (Divination = waarzeggerij.) Ron Silliman is overigens enthousiaster: ‘Cedar Sigo is a Frank O’Hara for the twenty-first century: witty, erudite, serious, with a terrific ear and eye for the minutest details, at home in the world of the arts.’

Naar aanleiding van enkele opmerkingen van Samuel Vriezen gisteren heb ik mijn fluctuatie/mutatie gedachte als volgt aangepast:

Ook binnen de poëzie kunnen we twee vormen van variatie waarnemen: fluctuatievariatie en mutatievariatie. De eerste gaat uit van variatie binnen de normaalverdeling, en de tweede van een sprongsgewijze variatie. Ontwikkelingen binnen de poëzie vinden plaats op basis van zowel fluctuatie als mutatie.

Naar aanleiding van een opmerking van Nanne Nauta heb ik nog wat naspeuringen gedaan en kom tot de conclusie dat Koen Vergeer wel de redacteur was van Johanna Geels’ tweede en mogelijk ook haar eerste bundel (beide verschenen bij Atlas) maar hoogstwaarschijnlijk niet van haar derde, Wildberichten (onlangs verschenen bij Marmer). Als recensent besprak Vergeer Wildberichten in het nieuwe nummer van de Poëziekrant (jul-aug 2014). Hij zei o.a. ‘dat [Geels] een van de belangrijkste Nederlandstalige dichters (m/v) van dit moment is.’ Geen doodzonde hoor, zo’n klef gebaar, de poëziescene is nou eenmaal piepklein en de leden moeten het vooral van elkaar hebben. Maar toch handig om te weten hoe het zit, in verband met het aanbrengen van een fijn onderscheid in de dingen bijvoorbeeld.

Sedar Sigo’s Language Arts (Wave Books, 2014) bekoort me bij vlagen, als de ploeterpoëzie wordt opgeleukt met een vleugje nonchalance. En hij weet dat zelf ook: ‘I don’t have ideas. I get to work, no talent, no genius but divination, painted dusk.’ (Divination = waarzeggerij.) Ron Silliman is overigens enthousiaster: ‘Cedar Sigo is a Frank O’Hara for the twenty-first century: witty, erudite, serious, with a terrific ear and eye for the minutest details, at home in the world of the arts.’

Ook binnen de poëzie kunnen we twee vormen van variatie waarnemen: fluctuatievariatie en mutatievariatie. De eerste gaat uit van variatie binnen de normaalverdeling, en de tweede van een sprongsgewijze variatie. Fluctuatievariatie is een kenmerk van mainstream poëzie, mutatievariatie van experimentele poëzie. Evolutie binnen de poëzie vindt plaats op basis van mutatie.
Uit de laatste Poëziekrant (jul-aug 2014) zijn me bijgebleven:
(1) De literaire wandeling door Mechelen in de voetsporen van Herman de Coninck: heerlijke reportage met veel weetfeitjes.
(2) De bespreking van Johanna Geels’ Wildberichten (Marmer, 2014): waarin de mooiste dichtregels van dit nummer voorkomen:
Houd gedachten bij elkaar mijn kind, fluisterde oma
in mijn oor, de duivel komt altijd in fragmenten.
Opmerkelijk is het slot van de bespreking: ‘met deze derde bundel bewijst Geels definitief dat zij een van de belangrijkste Nederlandstalige dichters (m/v) van dit moment is.’ Een krasse uitspraak van recensent Koen Vergeer, waarlangs ik mijn eigen meetlat wel wil leggen. Ergens hier ligt nog een boekenbon.

Ook binnen de poëzie kunnen we twee vormen van variatie waarnemen: fluctuatievariatie en mutatievariatie. De eerste gaat uit van variatie binnen de normaalverdeling, en de tweede van een sprongsgewijze variatie. Fluctuatievariatie is een kenmerk van mainstream poëzie, mutatievariatie van experimentele poëzie. Evolutie binnen de poëzie vindt plaats op basis van mutatie.

Uit de laatste Poëziekrant (jul-aug 2014) zijn me bijgebleven:
(1) De literaire wandeling door Mechelen in de voetsporen van Herman de Coninck: heerlijke reportage met veel weetfeitjes.
(2) De bespreking van Johanna Geels’ Wildberichten (Marmer, 2014): waarin de mooiste dichtregels van dit nummer voorkomen:

Houd gedachten bij elkaar mijn kind, fluisterde oma
in mijn oor, de duivel komt altijd in fragmenten.

Opmerkelijk is het slot van de bespreking: ‘met deze derde bundel bewijst Geels definitief dat zij een van de belangrijkste Nederlandstalige dichters (m/v) van dit moment is.’ Een krasse uitspraak van recensent Koen Vergeer, waarlangs ik mijn eigen meetlat wel wil leggen. Ergens hier ligt nog een boekenbon.

Onderweg van de drogist via de poelier naar de Ekoplaza stuit ik in de Churchilllaan op een standbeeld dat ik nooit eerder van dichtbij heb bekeken. Ik zet mijn boodschappentassen met drie kippenbouten, acht rollen toiletpapier, tien scheermesjes en tweehonderd vaatwastabletten neer, kijk Mahatma Gandhi in zijn bronzen gezicht en loop om hem heen. Zijn kromme rug verraadt een veelbewogen leven. Aan de hand van de jaartallen reken ik uit dat hij 78 was toen hij werd vermoord. Dan sms’t Hennie dat de moeder van een van mijn schoonzussen aan de gevolgen van een hersenbloeding is overleden. We zagen haar op verjaardagen, waar ze met haar Duitse accent honderduit praatte. Zij was het die me de magnesium aanraadde om van de krampen in mijn kuiten af te komen. Ik vond haar heel aardig.
Als ik mijn weg vervolg sluit ik vriendschap met mijn lichaam.

Onderweg van de drogist via de poelier naar de Ekoplaza stuit ik in de Churchilllaan op een standbeeld dat ik nooit eerder van dichtbij heb bekeken. Ik zet mijn boodschappentassen met drie kippenbouten, acht rollen toiletpapier, tien scheermesjes en tweehonderd vaatwastabletten neer, kijk Mahatma Gandhi in zijn bronzen gezicht en loop om hem heen. Zijn kromme rug verraadt een veelbewogen leven. Aan de hand van de jaartallen reken ik uit dat hij 78 was toen hij werd vermoord. Dan sms’t Hennie dat de moeder van een van mijn schoonzussen aan de gevolgen van een hersenbloeding is overleden. We zagen haar op verjaardagen, waar ze met haar Duitse accent honderduit praatte. Zij was het die me de magnesium aanraadde om van de krampen in mijn kuiten af te komen. Ik vond haar heel aardig.

Als ik mijn weg vervolg sluit ik vriendschap met mijn lichaam.

Het werken aan mijn ziekte geeft zin: ik wil genezen (doel) en zo de kwaliteit van mijn leven verbeteren (bedoeling), al lijkt genezing bij de huidige medische stand van zaken haast onmogelijk. Ik formuleer deze regels onder het klaarmaken van makreel op Griekse wijze, denk dan aan de slachtoffers van vlucht MH17; het leven in hoeken en gaten.

Het werken aan mijn ziekte geeft zin: ik wil genezen (doel) en zo de kwaliteit van mijn leven verbeteren (bedoeling), al lijkt genezing bij de huidige medische stand van zaken haast onmogelijk. Ik formuleer deze regels onder het klaarmaken van makreel op Griekse wijze, denk dan aan de slachtoffers van vlucht MH17; het leven in hoeken en gaten.

Vanochtend leek de wereld even niets. Me daarom maar gestort op de beheersing van het dagelijkse leven: de koelkast ontdooid en schoongemaakt, lunch bereid (salade van ham, ei, ansjovis en sperziebonen), tuindeur geschuurd en geplamuurd, Griekse hamburgers gebakken en zomergroenten gegrild. Tot slot en geheel naar gewoonte een espresso gedronken. Ik heb me nu enigszins hervonden, geloof ik, en verzoek mijn hypochondrische ik vriendelijk doch dringend om zich weer op zijn kamer terug te trekken.

Vanochtend leek de wereld even niets. Me daarom maar gestort op de beheersing van het dagelijkse leven: de koelkast ontdooid en schoongemaakt, lunch bereid (salade van ham, ei, ansjovis en sperziebonen), tuindeur geschuurd en geplamuurd, Griekse hamburgers gebakken en zomergroenten gegrild. Tot slot en geheel naar gewoonte een espresso gedronken. Ik heb me nu enigszins hervonden, geloof ik, en verzoek mijn hypochondrische ik vriendelijk doch dringend om zich weer op zijn kamer terug te trekken.

'De vraag naar het schone zou wel eens de centrale vraag voor elk ik kunnen zijn,' zegt de Duitse filosoof Wilhelm Schmid in zijn Handboek voor de levenskunst (Ambo, 2004), ‘wat is schoon?’ Ik kijk naar buiten waar de regen op de steigerplanken klettert. Regen kan fijn zijn, denk ik, zeker bij zo’n drukkend weertje als vandaag. Ik loop naar buiten en maak een foto.
Als ik later wat lavendelolie in mijn bad druppel, schiet me een paarse vlakte te binnen, in de Provence. Ik moet vijftien, zestien zijn geweest. Op vakantie met het hele gezin, en onze buren, in juli vermoedelijk. Na een wandeling door een bos bereikten we de gezochte lavendelvelden, wauw! wat een hevige intensiteit van geur en kleur kreeg ik plotsklaps te verwerken, wat een pracht. Na enige gewenning drong zich een donker gebrom aan me op dat van onderen leek te komen; op dijbeenhoogte scheerden honderden, duizenden bijen langs me heen, over de velden, zonder me te raken. Ik ben toen languit op het zandpad gaan liggen en heb tegen een strakblauwe achtergrond een poosje naar de overvliegende bijen gekeken. Dat voelde heel prettig aan. Veilig ook.

'De vraag naar het schone zou wel eens de centrale vraag voor elk ik kunnen zijn,' zegt de Duitse filosoof Wilhelm Schmid in zijn Handboek voor de levenskunst (Ambo, 2004), ‘wat is schoon?’ Ik kijk naar buiten waar de regen op de steigerplanken klettert. Regen kan fijn zijn, denk ik, zeker bij zo’n drukkend weertje als vandaag. Ik loop naar buiten en maak een foto.

Als ik later wat lavendelolie in mijn bad druppel, schiet me een paarse vlakte te binnen, in de Provence. Ik moet vijftien, zestien zijn geweest. Op vakantie met het hele gezin, en onze buren, in juli vermoedelijk. Na een wandeling door een bos bereikten we de gezochte lavendelvelden, wauw! wat een hevige intensiteit van geur en kleur kreeg ik plotsklaps te verwerken, wat een pracht. Na enige gewenning drong zich een donker gebrom aan me op dat van onderen leek te komen; op dijbeenhoogte scheerden honderden, duizenden bijen langs me heen, over de velden, zonder me te raken. Ik ben toen languit op het zandpad gaan liggen en heb tegen een strakblauwe achtergrond een poosje naar de overvliegende bijen gekeken. Dat voelde heel prettig aan. Veilig ook.