Later op de ochtend met Tim naar de tentoonstelling ‘Lucht! in de Nederlandse kunst sinds 1850’, georganiseerd door De Hallen Haarlem. De twee schilderijen van Leo Gestel (1881-1941), waarvan ik zelfs nog nooit een kiekje had gezien, waren aangename verrassingen voor mij. Vooral het hierboven afgebeelde schilderij uit 1910, dat ‘Een zonnige morgen’ heet en in particulier bezit is, vind ik de moeite waard. Volgens de catalogus zou het een landschap in de buurt van Nijmegen kunnen zijn. Als ik er naar kijk word ik blij, als in zonlicht badend.
'Duchamps poging om de wereld te overdenken,' lees ik in The Writings of Marcel Duchamp, ‘rust op twee pijlers: de machine, het beeld en de incarnatie van de moderne tijd, en het toeval, dat goddelijkheid de facto heeft vervangen.’ De machine en het toeval dus; twee kernbegrippen die aan mijn opgebouwde beeld van het modernisme kunnen worden toegevoegd. Als ik naar de 21e eeuw kijk, dan lijkt me dat de machine als kernbegrip intussen is vervangen door ‘informatie’, met betrekking tot toeval weet ik het nog niet. Dan volgt een avontuurlijke zin:
'Duchamp was trying to imagine a state of affairs where man would humanize the machine to such an extent that the latter would truly come to life.'
Eind 19e, begin 20e eeuw was niet iedereen, waaronder Marx, even enthousiast over de oprukkende mechanisering. Ik begrijp Duchamps manoeuvre dus wel. Zou je je ook een vermenselijking van informatie kunnen verbeelden?

Later op de ochtend met Tim naar de tentoonstelling ‘Lucht! in de Nederlandse kunst sinds 1850’, georganiseerd door De Hallen Haarlem. De twee schilderijen van Leo Gestel (1881-1941), waarvan ik zelfs nog nooit een kiekje had gezien, waren aangename verrassingen voor mij. Vooral het hierboven afgebeelde schilderij uit 1910, dat ‘Een zonnige morgen’ heet en in particulier bezit is, vind ik de moeite waard. Volgens de catalogus zou het een landschap in de buurt van Nijmegen kunnen zijn. Als ik er naar kijk word ik blij, als in zonlicht badend.

'Duchamps poging om de wereld te overdenken,' lees ik in The Writings of Marcel Duchamp, ‘rust op twee pijlers: de machine, het beeld en de incarnatie van de moderne tijd, en het toeval, dat goddelijkheid de facto heeft vervangen.’ De machine en het toeval dus; twee kernbegrippen die aan mijn opgebouwde beeld van het modernisme kunnen worden toegevoegd. Als ik naar de 21e eeuw kijk, dan lijkt me dat de machine als kernbegrip intussen is vervangen door ‘informatie’, met betrekking tot toeval weet ik het nog niet. Dan volgt een avontuurlijke zin:

'Duchamp was trying to imagine a state of affairs where man would humanize the machine to such an extent that the latter would truly come to life.'

Eind 19e, begin 20e eeuw was niet iedereen, waaronder Marx, even enthousiast over de oprukkende mechanisering. Ik begrijp Duchamps manoeuvre dus wel. Zou je je ook een vermenselijking van informatie kunnen verbeelden?

Als ik mijn ochtendkoffie drink schenkt Radio 4 me Giulio Caccini’s Ave Maria, prachtig gezongen door Inessa Galante: een blijmoedige melancholie, waarvan de treurnis en de vreugde, zoals alle eindige menselijke verschijnselen, geborgen zijn in een horizon van oneindigheid.
In Michel Sanouillets voorwoord van The Writings of Marcel Duchamp (Da Capo Press, 1989) wordt met betrekking tot wat Duchamp voor ‘een moderne en narcistische wereld die hunkert naar idolen en publiciteit’ heeft betekend, de Franse dichter en criticus Jacques Henry Lévesque geciteerd:
'What is important in what we must call a work by Duchamp is not exactly what one has before one’s eyes but the stimulus that this sign provokes in the mind of the onlooker. The worth of a work of art does not come so much from what its creator condensed in it through his talent and experience as from the unexpected resonances and harmonics that it sets loose in the reader or viewer.’
Dit voegt aan het beeld dat in vorige berichten is ontstaan van het modernisme - een ommezwaai van verschijning naar ideeën/conceptie - een beoogde gedragsverandering van de beschouwer toe: van passiviteit naar activiteit. Geestelijke activiteit.

Als ik mijn ochtendkoffie drink schenkt Radio 4 me Giulio Caccini’s Ave Maria, prachtig gezongen door Inessa Galante: een blijmoedige melancholie, waarvan de treurnis en de vreugde, zoals alle eindige menselijke verschijnselen, geborgen zijn in een horizon van oneindigheid.

In Michel Sanouillets voorwoord van The Writings of Marcel Duchamp (Da Capo Press, 1989) wordt met betrekking tot wat Duchamp voor ‘een moderne en narcistische wereld die hunkert naar idolen en publiciteit’ heeft betekend, de Franse dichter en criticus Jacques Henry Lévesque geciteerd:

'What is important in what we must call a work by Duchamp is not exactly what one has before one’s eyes but the stimulus that this sign provokes in the mind of the onlooker. The worth of a work of art does not come so much from what its creator condensed in it through his talent and experience as from the unexpected resonances and harmonics that it sets loose in the reader or viewer.’

Dit voegt aan het beeld dat in vorige berichten is ontstaan van het modernisme - een ommezwaai van verschijning naar ideeën/conceptie - een beoogde gedragsverandering van de beschouwer toe: van passiviteit naar activiteit. Geestelijke activiteit.

Na wat wikken en wegen besluit ik dat Wilhelm Schmids uitspraak over Hitler in zijn Handboek voor de levenskunst geen grap is. Het is Schmid hoge ernst als hij het Duitsland tussen de twee wereldoorlogen in een samenleving noemt ‘die het lachen was verleerd’ en poneert dat lachen voldoende zou zijn geweest voor het volk om zich van de dictator te ontdoen, ‘want dat kleeft als een klit aan degene die de salvo’s over zich heen heeft gekregen’. Stel je dat eens voor, Hitler die na een toespraak niet wordt toegejuicht maar uitgelachen; hij zou zich druipstaartend hebben verwijderd.
In hetzelfde chapiter, dat over de kunst van het lachen gaat, kom ik een passage tegen die aan mijn onderzoek naar vroeg modernistische constructieve kunstvormen raakt. Schmid bestempelt het lachen, en in het bijzonder het lachen van de wanhoop, tot een dadaïstisch thema:
'Waar kun je het best leren lachen? In het cabaret. En in het dadaïsme, dat meteen vanaf zijn begin één donderend lachen was. “Onbeperkte vrijheid voor HH”, eiste een dadaïstisch pamflet uit 1919, waarbij HH staat voor de “dadasofe” Hannah Hoch, maar ook voor het 'haha' van het lachen, dat in het geweer werd gebracht tegen de vastgeroeste structuren van de maatschappij. Toen al spraken de dadaïsten zich uit voor een radicale sanering van de hele aardbol; een onderdeel van hun propagandada, en een reactie op de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog, die ze een sarcastisch lachen nastuurden: “We zagen toen de waanzinnige eindproducten van de heersende orde,” zei Georg Grosz in 1925, “en braken in lachen uit.” Dat was het lachen van de wanhoop - de enig mogelijke reactie op een catastrofe.’
Vrij Nederland weer eens aangeschaft (goh wat verlang ik toch naar de oude VN op krantenpapier!) omwille van een artikel over US blogger Emily Gould, dat weinig nieuws blijkt te bevatten. Wel opvallend: een aankondiging van ‘VN Masterclasses in samenwerking met Querido Academie’ over het schrijven van een roman, een familiegeschiedenis, een biografie, een kort verhaal, een waargebeurd verhaal, een recensie (met Rob Schouten en Jeroen Vullings) en een misdaadverhaal. Opvallend omdat het gedicht en het blogbericht ontbreken, twee uitersten op de actualiteitswaardeschaal der genres. Het citaat van de dag is afkomstig van de Franse filosoof Bernard Stiegler:
'De mens is een prothetisch wezen, het is niets zonder hulpstukken.'

Na wat wikken en wegen besluit ik dat Wilhelm Schmids uitspraak over Hitler in zijn Handboek voor de levenskunst geen grap is. Het is Schmid hoge ernst als hij het Duitsland tussen de twee wereldoorlogen in een samenleving noemt ‘die het lachen was verleerd’ en poneert dat lachen voldoende zou zijn geweest voor het volk om zich van de dictator te ontdoen, ‘want dat kleeft als een klit aan degene die de salvo’s over zich heen heeft gekregen’. Stel je dat eens voor, Hitler die na een toespraak niet wordt toegejuicht maar uitgelachen; hij zou zich druipstaartend hebben verwijderd.

In hetzelfde chapiter, dat over de kunst van het lachen gaat, kom ik een passage tegen die aan mijn onderzoek naar vroeg modernistische constructieve kunstvormen raakt. Schmid bestempelt het lachen, en in het bijzonder het lachen van de wanhoop, tot een dadaïstisch thema:

'Waar kun je het best leren lachen? In het cabaret. En in het dadaïsme, dat meteen vanaf zijn begin één donderend lachen was. “Onbeperkte vrijheid voor HH”, eiste een dadaïstisch pamflet uit 1919, waarbij HH staat voor de “dadasofe” Hannah Hoch, maar ook voor het 'haha' van het lachen, dat in het geweer werd gebracht tegen de vastgeroeste structuren van de maatschappij. Toen al spraken de dadaïsten zich uit voor een radicale sanering van de hele aardbol; een onderdeel van hun propagandada, en een reactie op de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog, die ze een sarcastisch lachen nastuurden: “We zagen toen de waanzinnige eindproducten van de heersende orde,” zei Georg Grosz in 1925, “en braken in lachen uit.” Dat was het lachen van de wanhoop - de enig mogelijke reactie op een catastrofe.’

Vrij Nederland weer eens aangeschaft (goh wat verlang ik toch naar de oude VN op krantenpapier!) omwille van een artikel over US blogger Emily Gould, dat weinig nieuws blijkt te bevatten. Wel opvallend: een aankondiging van ‘VN Masterclasses in samenwerking met Querido Academie’ over het schrijven van een roman, een familiegeschiedenis, een biografie, een kort verhaal, een waargebeurd verhaal, een recensie (met Rob Schouten en Jeroen Vullings) en een misdaadverhaal. Opvallend omdat het gedicht en het blogbericht ontbreken, twee uitersten op de actualiteitswaardeschaal der genres. Het citaat van de dag is afkomstig van de Franse filosoof Bernard Stiegler:

'De mens is een prothetisch wezen, het is niets zonder hulpstukken.'
Vanochtend heb ik een gedicht ingediend voor de Turing Gedichtenwedstrijd, getiteld ‘Ze leefden niet lang en niet gelukkig’. Vorig jaar haalde ik met een gedicht de top 1000, wat recht geeft op een ‘persoonlijke beoordeling’ van het gedicht door een van ‘de leden van de voorjury, bestaande uit medewerkers van de poëzietijdschriften Awater en De Poëziekrant.’ Hieronder volgen gedicht en beoordeling.
BENAMING DAARENTEGEN ALS EEN OUD
verborgen en gestorven boerenwoord
is waard dat zij verzameld wordt tot u,
dus breng mij mee de namen uit de streek
zoals daar is ‘t spat-ei oet Gramsbergen,
dat eerste kleine ei dat wordt gelegd,
een ei zonder dooier, ook wel dwirrel-
of dwarreleigien of spoek-ei genoemd.
Alles, echt alles kun je verzamelen, zoals instemmend geknik
van voorouders, omdat het leven kort is, of pelgrimages
uit een combinatie van drift en geldingsdrang, en ook segmenten realiteit
die orde kunnen scheppen in de chaos, oh winziger Mensch.
En spookeieren dus. Als waanzinnig protest tegen de stille veranderingen
die het landschap, getuigenis van jouw bestaan, ondergaat.
Beoordeling: ‘De eerste strofe vind ik mooi vanwege de ongrammaticaliteit, die nooit het zicht beneemt op de zeggingskracht van de woorden maar deze juist versterkt. De visie op het verzamelen van spookeieren is bovendien interessant; het gedicht is een existentiële reflectie die het clichématige, registrerende dichten overstijgt en echt de indruk wekt dat er iets op het spel staat. Misschien draaft de dichter daar wel iets te ver in door: al die benamingen van het ei neigen naar spielerei, en ook een frase als “alles, echt alles” is te expliciet: alleen “alles” dekt de lading ook. Een goed gedicht, kortom, waarin nog geschrapt had kunnen worden om de zeggingskracht te vergroten.’
Vanmiddag in Marjorie Perloffs essay over Marcel Duchamp gelezen (in 21st-Century Modernism, Blackwell Publishers, 2002). Perloff citeert de conceptuele kunstenaar Joseph Kosuth als zij het belang van Duchamp voor de kunst wil onderstrepen. Duchamp wordt verantwoordelijk gehouden voor de volgende verandering:
'This change - one from “appearance” to “conception” - was the beginning of “modern” art.'
Dit sluit aan bij Duchamps statement dat ik gisteren aanhaalde: ‘I was interested in ideas - not merely in visual products.’ Maar misschien is zijn grootste les wel, die hij ons leert in zijn replica’s, dat zelfs in een tijdperk van mechanische reproductie alles en iedereen uniek is.

Vanochtend heb ik een gedicht ingediend voor de Turing Gedichtenwedstrijd, getiteld ‘Ze leefden niet lang en niet gelukkig’. Vorig jaar haalde ik met een gedicht de top 1000, wat recht geeft op een ‘persoonlijke beoordeling’ van het gedicht door een van ‘de leden van de voorjury, bestaande uit medewerkers van de poëzietijdschriften Awater en De Poëziekrant.’ Hieronder volgen gedicht en beoordeling.

BENAMING DAARENTEGEN ALS EEN OUD

verborgen en gestorven boerenwoord
is waard dat zij verzameld wordt tot u,
dus breng mij mee de namen uit de streek

zoals daar is ‘t spat-ei oet Gramsbergen,
dat eerste kleine ei dat wordt gelegd,
een ei zonder dooier, ook wel dwirrel-
of dwarreleigien of spoek-ei genoemd.

Alles, echt alles kun je verzamelen, zoals instemmend geknik
van voorouders, omdat het leven kort is, of pelgrimages
uit een combinatie van drift en geldingsdrang, en ook segmenten realiteit

die orde kunnen scheppen in de chaos, oh winziger Mensch.
En spookeieren dus. Als waanzinnig protest tegen de stille veranderingen
die het landschap, getuigenis van jouw bestaan, ondergaat.

Beoordeling: ‘De eerste strofe vind ik mooi vanwege de ongrammaticaliteit, die nooit het zicht beneemt op de zeggingskracht van de woorden maar deze juist versterkt. De visie op het verzamelen van spookeieren is bovendien interessant; het gedicht is een existentiële reflectie die het clichématige, registrerende dichten overstijgt en echt de indruk wekt dat er iets op het spel staat. Misschien draaft de dichter daar wel iets te ver in door: al die benamingen van het ei neigen naar spielerei, en ook een frase als “alles, echt alles” is te expliciet: alleen “alles” dekt de lading ook. Een goed gedicht, kortom, waarin nog geschrapt had kunnen worden om de zeggingskracht te vergroten.’

Vanmiddag in Marjorie Perloffs essay over Marcel Duchamp gelezen (in 21st-Century Modernism, Blackwell Publishers, 2002). Perloff citeert de conceptuele kunstenaar Joseph Kosuth als zij het belang van Duchamp voor de kunst wil onderstrepen. Duchamp wordt verantwoordelijk gehouden voor de volgende verandering:

'This change - one from “appearance” to “conception” - was the beginning of “modern” art.'

Dit sluit aan bij Duchamps statement dat ik gisteren aanhaalde: ‘I was interested in ideas - not merely in visual products.’ Maar misschien is zijn grootste les wel, die hij ons leert in zijn replica’s, dat zelfs in een tijdperk van mechanische reproductie alles en iedereen uniek is.

Vanochtend op en neer gewandeld naar de Haarlemmerdijk, waar onze theeleverancier zich bevindt. Onderweg geconcludeerd dat het tijd wordt om een eerder gedane belofte in te lossen. Ik eindigde op vrijdag 6 mei 2011 mijn blogserie ‘Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis' als volgt:
'In 21st-Century Modernism betoogt Marjorie Perloff dat de vroege modernisten constructieve kunstvormen introduceerden, waarin constructie in plaats van mimesis de boventoon voerde en waarbij in het geval van poëzie taal “charged with meaning” - geladen met betekenis - een belangrijke rol speelde: ready-mades, woordsculpturen, zaum, syntactische permutatie etc. Het zijn deze van oorsprong modernistische vormen die ik aan een nader onderzoek zal onderwerpen om te bezien of ze bruikbaar zijn, met inachtneming van postmoderne inzichten en informatietechnologische ontwikkelingen, voor verdere uitbouw.’
Ik ben er nog niet uit of de toen geformuleerde onderzoeksvraag ook nu nog voldoet. Laat ik in elk geval met een oriëntatie beginnen en op zoek gaan naar die vroeg modernistische ‘constructieve kunstvormen’ en bijbehorende ideeën waar Perloff het over heeft. Thuis grijp ik bij wijze van eerste aanzet naar The Writings of Marcel Duchamp, onder redactie van Michel Sanouillet en Elmer Peterson (Da Capo Press, 1989), en lees een ondubbelzinnig statement van Duchamp, dat hij maakte tijdens een interview in 1946:
'I was interested in ideas - not merely in visual products.'
Laat ik dit eens onthouden.
's Middags met Gert de Jager bij Café Hesp een borreltje gedronken en o.a. gesproken over de desintegratie van het Nederlandstalige poëtische veld. En de kansen die de ontstane lacunes bieden.

Vanochtend op en neer gewandeld naar de Haarlemmerdijk, waar onze theeleverancier zich bevindt. Onderweg geconcludeerd dat het tijd wordt om een eerder gedane belofte in te lossen. Ik eindigde op vrijdag 6 mei 2011 mijn blogserie ‘Het gedicht als revolutionaire gebeurtenis' als volgt:

'In 21st-Century Modernism betoogt Marjorie Perloff dat de vroege modernisten constructieve kunstvormen introduceerden, waarin constructie in plaats van mimesis de boventoon voerde en waarbij in het geval van poëzie taal “charged with meaning” - geladen met betekenis - een belangrijke rol speelde: ready-mades, woordsculpturen, zaum, syntactische permutatie etc. Het zijn deze van oorsprong modernistische vormen die ik aan een nader onderzoek zal onderwerpen om te bezien of ze bruikbaar zijn, met inachtneming van postmoderne inzichten en informatietechnologische ontwikkelingen, voor verdere uitbouw.’

Ik ben er nog niet uit of de toen geformuleerde onderzoeksvraag ook nu nog voldoet. Laat ik in elk geval met een oriëntatie beginnen en op zoek gaan naar die vroeg modernistische ‘constructieve kunstvormen’ en bijbehorende ideeën waar Perloff het over heeft. Thuis grijp ik bij wijze van eerste aanzet naar The Writings of Marcel Duchamp, onder redactie van Michel Sanouillet en Elmer Peterson (Da Capo Press, 1989), en lees een ondubbelzinnig statement van Duchamp, dat hij maakte tijdens een interview in 1946:

'I was interested in ideas - not merely in visual products.'

Laat ik dit eens onthouden.

's Middags met Gert de Jager bij Café Hesp een borreltje gedronken en o.a. gesproken over de desintegratie van het Nederlandstalige poëtische veld. En de kansen die de ontstane lacunes bieden.

Door rekening te gaan houden met mijn CLL heb ik de afgelopen weken de inrichting van mijn leven vernieuwd. Met als oogmerk: een gezondere levensstijl. Zo heb ik enkele gewoontes op een andere manier ingesteld: van drie á vier naar een á twee glazen alcohol per dag, van tien á twaalf naar nog maar twee koppen koffie per dag. Deze onthouding heeft niet alleen positieve effecten op zuurgraad en gewicht van mijn lichaam maar zorgt ook, door me van de heerschappij over mijn verslavingen meester te maken, voor een versteviging van mijn ik.
Andere vernieuwingen zijn: een beperkte inname van koolhydraten (nauwelijks zoetigheden, minder granen, meer groenten) om de suikerhuishouding verder te verbeteren en nog wat extra gewicht te verliezen, en ik drink dagelijks meerdere koppen groene thee en neem kurkuma als voedingssupplement vanwege de mogelijk gunstige invloed van bestanddelen van groene thee en kurkuma op de ontwikkeling van CLL. Voorts train ik elke ochtend een half uur lang mijn spieren door yogaoefeningen te doen. ‘Bewegingscultuur is de basis van elke lichaamscultuur.’
Ik ben een kilo of vier, vijf kwijt, slaap beter, voel me fit. Ik zoek nu nog naar een zinvolle relatie tot de oneindigheid, die boven de begrensdheid van de eindigheid kan uitstijgen.
Goed nieuws van de Dying Poets Society, voor een handvol potentiële lezers: er zijn nieuwe bundels in voorbereiding.

Door rekening te gaan houden met mijn CLL heb ik de afgelopen weken de inrichting van mijn leven vernieuwd. Met als oogmerk: een gezondere levensstijl. Zo heb ik enkele gewoontes op een andere manier ingesteld: van drie á vier naar een á twee glazen alcohol per dag, van tien á twaalf naar nog maar twee koppen koffie per dag. Deze onthouding heeft niet alleen positieve effecten op zuurgraad en gewicht van mijn lichaam maar zorgt ook, door me van de heerschappij over mijn verslavingen meester te maken, voor een versteviging van mijn ik.

Andere vernieuwingen zijn: een beperkte inname van koolhydraten (nauwelijks zoetigheden, minder granen, meer groenten) om de suikerhuishouding verder te verbeteren en nog wat extra gewicht te verliezen, en ik drink dagelijks meerdere koppen groene thee en neem kurkuma als voedingssupplement vanwege de mogelijk gunstige invloed van bestanddelen van groene thee en kurkuma op de ontwikkeling van CLL. Voorts train ik elke ochtend een half uur lang mijn spieren door yogaoefeningen te doen. ‘Bewegingscultuur is de basis van elke lichaamscultuur.’

Ik ben een kilo of vier, vijf kwijt, slaap beter, voel me fit. Ik zoek nu nog naar een zinvolle relatie tot de oneindigheid, die boven de begrensdheid van de eindigheid kan uitstijgen.

Goed nieuws van de Dying Poets Society, voor een handvol potentiële lezers: er zijn nieuwe bundels in voorbereiding.

Frits Spits presenteert elke zaterdag Taalstaat, een radioprogramma ‘waarin de Nederlandse taal het middelpunt vormt.’ Als ik thuis ben, luister ik. Tijdens elke uitzending mag een luisteraar zijn of haar ‘taalschat’ veropenbaren, zijn of haar liefde voor een bijzonder boek dat hij of zij bezit wereldkundig maken. Ik heb de KRO gemaild dat een van mijn grootste taalschatten een eerste druk is van de eerste Nederlandse vertaling van een deel van Walt Whitmans Leaves of Grass: Natuurleven, vertaald door Maurits Wagenvoort en uitgebracht door De Erven F. Bohn, Haarlem, 1898. Eind juli kreeg ik een mailtje van ze terug: ‘Wij gaan kijken of we uw Taalschat in één van onze komende uitzendingen kunnen behandelen.’
Leaves of Grass is een bundeling van kortere en langere verzen die Whitman gedurende zijn leven schreef. Tussen 1855 en 1892, zijn sterfjaar, verschenen verschillende, steeds uitgebreidere edities van het werk. Natuurleven beslaat slechts de eerste helft van Leaves of Grass en is bovendien gekuist, gezuiverd van Whitmans wellust en losbandigheden. De tweede helft, die Wagenvoort wél vertaald had, is waarschijnlijk vanwege een te grote kans op ‘geldelijk verlies der onderneming’ nooit verschenen.
Ik bezit twee Engelse herdrukken van Leaves of Grass, eentje van de eerste editie uit 1855 en eentje van de laatste, de zogenaamde ‘death-bed edition’ uit 1891-2. Naast Natuurleven heb ik nog de volgende Nederlandse vertalingen, die alle een keuze bevatten uit de Leaves:
—Grashalmen, een verkorte heruitgave van Natuurleven, in de serie Wereldbibliotheek, uitgegeven door de Maatschappij voor goede en goedkope lectuur, Amsterdam, 1917.
—Walt Whitman: behoor je werkelijk tot de volledige mensen? vrije vertaling door R. Blok, Futile, Rotterdam, 1976.
—Het Lied van Mijzelve, vertaald door Joris Lenstra, uitgave in eigen beheer, 2005.
—Grashalmen, vertaald door Jabik Veenbaas, Wagner & Van Santen, 2007.
Ter vergelijking volgen hieronder twee regels uit het laatste vers van ‘Song of Myself’, eerst de originele regels, daarna de verschillende vertalingen:
I bequeath myself to the dirt to grow from the grass I love,
If you want me again look for me under your boot-soles.
Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten groeien dat ik liefheb,
Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar mij uit onder uwe voeten.
Ik laat mijzelf na aan het slijk om dan weer uit het gras omhoog te groeien waar ik zo van houd,
Wanneer je me opnieuw wilt zien, zoek dan naar me onder de zolen van je laarzen.
Ik laat mezelf na aan de aarde om te groeien van het gras waar ik om geef,
Als je me weer nodig hebt, zoek naar me onder de zolen van je laarzen.
Ik laat mezelf na aan de aarde om te groeien uit het gras dat ik liefheb,
Wil je me weerzien, kijk dan onder je laarszolen.

Frits Spits presenteert elke zaterdag Taalstaat, een radioprogramma ‘waarin de Nederlandse taal het middelpunt vormt.’ Als ik thuis ben, luister ik. Tijdens elke uitzending mag een luisteraar zijn of haar ‘taalschat’ veropenbaren, zijn of haar liefde voor een bijzonder boek dat hij of zij bezit wereldkundig maken. Ik heb de KRO gemaild dat een van mijn grootste taalschatten een eerste druk is van de eerste Nederlandse vertaling van een deel van Walt Whitmans Leaves of Grass: Natuurleven, vertaald door Maurits Wagenvoort en uitgebracht door De Erven F. Bohn, Haarlem, 1898. Eind juli kreeg ik een mailtje van ze terug: ‘Wij gaan kijken of we uw Taalschat in één van onze komende uitzendingen kunnen behandelen.’

Leaves of Grass is een bundeling van kortere en langere verzen die Whitman gedurende zijn leven schreef. Tussen 1855 en 1892, zijn sterfjaar, verschenen verschillende, steeds uitgebreidere edities van het werk. Natuurleven beslaat slechts de eerste helft van Leaves of Grass en is bovendien gekuist, gezuiverd van Whitmans wellust en losbandigheden. De tweede helft, die Wagenvoort wél vertaald had, is waarschijnlijk vanwege een te grote kans op ‘geldelijk verlies der onderneming’ nooit verschenen.

Ik bezit twee Engelse herdrukken van Leaves of Grass, eentje van de eerste editie uit 1855 en eentje van de laatste, de zogenaamde ‘death-bed edition’ uit 1891-2. Naast Natuurleven heb ik nog de volgende Nederlandse vertalingen, die alle een keuze bevatten uit de Leaves:

Grashalmen, een verkorte heruitgave van Natuurleven, in de serie Wereldbibliotheek, uitgegeven door de Maatschappij voor goede en goedkope lectuur, Amsterdam, 1917.
Walt Whitman: behoor je werkelijk tot de volledige mensen? vrije vertaling door R. Blok, Futile, Rotterdam, 1976.
Het Lied van Mijzelve, vertaald door Joris Lenstra, uitgave in eigen beheer, 2005.
Grashalmen, vertaald door Jabik Veenbaas, Wagner & Van Santen, 2007.

Ter vergelijking volgen hieronder twee regels uit het laatste vers van ‘Song of Myself’, eerst de originele regels, daarna de verschillende vertalingen:

I bequeath myself to the dirt to grow from the grass I love,
If you want me again look for me under your boot-soles.

Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten groeien dat ik liefheb,
Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar mij uit onder uwe voeten.

Ik laat mijzelf na aan het slijk om dan weer uit het gras omhoog te groeien waar ik zo van houd,
Wanneer je me opnieuw wilt zien, zoek dan naar me onder de zolen van je laarzen.

Ik laat mezelf na aan de aarde om te groeien van het gras waar ik om geef,
Als je me weer nodig hebt, zoek naar me onder de zolen van je laarzen.

Ik laat mezelf na aan de aarde om te groeien uit het gras dat ik liefheb,
Wil je me weerzien, kijk dan onder je laarszolen.
Vanochtend om 08:15 de deur uit voor het eerste deel van het ‘Floris V-pad' dat loopt van Amsterdam naar Weesp. Het langeafstandswandelpad kent dertien trajecten en eindigt na 245 km in Bergen op Zoom. Prima wandeltemperatuurtje en wind schuin in de rug. Na de Berlagebrug volg ik de Weespertrekvaart en de Gaasp tot in Weesp. Ik kom betrekkelijk weinig mensen tegen. Dat valt me altijd op: hoe rustig het in Amsterdam en omstreken eigenlijk is zodra je de grachtengordel hebt verlaten. Ik stuit langs de vaart wel op een troep ganzen dat van geen wijken wil weten. Onder het viaduct bij Café De Omval bewonder ik een knap staaltje graffiti. Na lelijk Diemen duik ik het Diemsterbos in, waar veel bramenstruiken staan. Als ik een handvol bramen pluk word ik, te laat, door een oude man op de fiets gewaarschuwd om van de laaghangende vruchten af te blijven:
'Er zitten hier veel vossen en die piesen die bramen vol. Daar kun je hondsdolheid van krijgen.'
Na Driemond kom ik in parmantig Weesp aan, de kades vol met plezierjachten en rimpelige bemanningen. Bij het station weet ik eindelijk een koffie te scoren. Om 11:53 neem ik de sprinter terug naar de Rivierenbuurt.

Vanochtend om 08:15 de deur uit voor het eerste deel van het ‘Floris V-pad' dat loopt van Amsterdam naar Weesp. Het langeafstandswandelpad kent dertien trajecten en eindigt na 245 km in Bergen op Zoom. Prima wandeltemperatuurtje en wind schuin in de rug. Na de Berlagebrug volg ik de Weespertrekvaart en de Gaasp tot in Weesp. Ik kom betrekkelijk weinig mensen tegen. Dat valt me altijd op: hoe rustig het in Amsterdam en omstreken eigenlijk is zodra je de grachtengordel hebt verlaten. Ik stuit langs de vaart wel op een troep ganzen dat van geen wijken wil weten. Onder het viaduct bij Café De Omval bewonder ik een knap staaltje graffiti. Na lelijk Diemen duik ik het Diemsterbos in, waar veel bramenstruiken staan. Als ik een handvol bramen pluk word ik, te laat, door een oude man op de fiets gewaarschuwd om van de laaghangende vruchten af te blijven:

'Er zitten hier veel vossen en die piesen die bramen vol. Daar kun je hondsdolheid van krijgen.'

Na Driemond kom ik in parmantig Weesp aan, de kades vol met plezierjachten en rimpelige bemanningen. Bij het station weet ik eindelijk een koffie te scoren. Om 11:53 neem ik de sprinter terug naar de Rivierenbuurt.

Op zo’n dag waarop je op de regen wacht ligt kokkerellen in huize Van ‘t Hof voor de hand. Als lunch wordt taboulé geserveerd, zoals het honderd jaar geleden in Damascus werd gemaakt: salade van bulgur met groene kruiden en tomaat. Tegen de avond doen we ons tegoed aan zalm met een salsa verde, een klassieke marcoude (aardappelomelet) uit Noord-Afrika en in olijfolie gestoofde bleekselderij, alles tot op kamertemperatuur afgekoeld.
Tussendoor naar Langs de lijn geluisterd; de competitie is weer begonnen. Feijenoord wint met geluk van ADO Den Haag. Hennie en ik zijn het, in onze pogingen de juiste maat te vinden, erover eens dat, alhoewel we aan niemand rekenschap zijn verschuldigd, een mens af en toe ook een rustig weekend nodig heeft.
'Een probleem van het leven in de moderne tijd is dat we niet meer zijn ingebed in een cultureel bepaalde maat voor bijvoorbeeld de genoegens van het eten, het drinken en het beminnen.' —Wilhelm Schmid in Handboek voor de levenskunst

Op zo’n dag waarop je op de regen wacht ligt kokkerellen in huize Van ‘t Hof voor de hand. Als lunch wordt taboulé geserveerd, zoals het honderd jaar geleden in Damascus werd gemaakt: salade van bulgur met groene kruiden en tomaat. Tegen de avond doen we ons tegoed aan zalm met een salsa verde, een klassieke marcoude (aardappelomelet) uit Noord-Afrika en in olijfolie gestoofde bleekselderij, alles tot op kamertemperatuur afgekoeld.

Tussendoor naar Langs de lijn geluisterd; de competitie is weer begonnen. Feijenoord wint met geluk van ADO Den Haag. Hennie en ik zijn het, in onze pogingen de juiste maat te vinden, erover eens dat, alhoewel we aan niemand rekenschap zijn verschuldigd, een mens af en toe ook een rustig weekend nodig heeft.

'Een probleem van het leven in de moderne tijd is dat we niet meer zijn ingebed in een cultureel bepaalde maat voor bijvoorbeeld de genoegens van het eten, het drinken en het beminnen.' —Wilhelm Schmid in Handboek voor de levenskunst
Vanochtend naar Pied à Terre gewandeld, aan de Overtoom, en een geografische kaart van ons vakantiegebied gehaald, het departement Gironde, waarbinnen ook de Appellation d’Origine Contrôlée (AOC) Haut-Médoc valt. Yes! Roep maar Margaux, Listrac-Médoc, Moulis-en-Médoc, Saint-Julien, Pauillac en Saint-Estėphe! Wijn, wijn, wijn! Op mijn wandelkaart zijn ook alle wijngaarden ingetekend. Van het vooruitzicht naar deze streek te gaan, word ik blijmoedig.
Bij Koos van Zomeren lees ik over het ‘diepere inzicht in de blindelingse werkzaamheid van de evolutie […] dat toch niets veranderd blijkt te hebben aan je leven.’ Even later verklaart hij zich nader, waarbij het perspectief verschuift van ‘je’ naar ‘wij’:
'De hele vegetatie moet zich instellen op een nieuw klimaat. Aan de ene kant: dat komt echt wel voor elkaar. Aan de andere: als wij er niet waren, was dat niet nodig geweest.'
Ik moet denken aan wat Boudewijn Büch enkele dagen geleden op Antarctica uitriep (ik kijk momenteel de afleveringen van zijn bezoek begin jaren negentig aan het zuidpoolgebied terug): ‘Hier stonden ooit eens allemaal bomen!’ Klimaat en vegetatie veranderen, stel ik vast, met en zonder mensen. Toch lijkt het me zinnig, of de mens nu wel of niet een beslissend aandeel in de huidige klimaatverandering heeft, om je footprint, het verbruik van de natuurlijke omgeving, zo klein mogelijk te houden. Al was het maar uit respect.
Het ware eigenlijk beter als Hennie en ik ons op de fiets naar Bordeaux zouden begeven… Hennie! Wijntje?

Vanochtend naar Pied à Terre gewandeld, aan de Overtoom, en een geografische kaart van ons vakantiegebied gehaald, het departement Gironde, waarbinnen ook de Appellation d’Origine Contrôlée (AOC) Haut-Médoc valt. Yes! Roep maar Margaux, Listrac-Médoc, Moulis-en-Médoc, Saint-Julien, Pauillac en Saint-Estėphe! Wijn, wijn, wijn! Op mijn wandelkaart zijn ook alle wijngaarden ingetekend. Van het vooruitzicht naar deze streek te gaan, word ik blijmoedig.

Bij Koos van Zomeren lees ik over het ‘diepere inzicht in de blindelingse werkzaamheid van de evolutie […] dat toch niets veranderd blijkt te hebben aan je leven.’ Even later verklaart hij zich nader, waarbij het perspectief verschuift van ‘je’ naar ‘wij’:

'De hele vegetatie moet zich instellen op een nieuw klimaat. Aan de ene kant: dat komt echt wel voor elkaar. Aan de andere: als wij er niet waren, was dat niet nodig geweest.'

Ik moet denken aan wat Boudewijn Büch enkele dagen geleden op Antarctica uitriep (ik kijk momenteel de afleveringen van zijn bezoek begin jaren negentig aan het zuidpoolgebied terug): ‘Hier stonden ooit eens allemaal bomen!’ Klimaat en vegetatie veranderen, stel ik vast, met en zonder mensen. Toch lijkt het me zinnig, of de mens nu wel of niet een beslissend aandeel in de huidige klimaatverandering heeft, om je footprint, het verbruik van de natuurlijke omgeving, zo klein mogelijk te houden. Al was het maar uit respect.

Het ware eigenlijk beter als Hennie en ik ons op de fiets naar Bordeaux zouden begeven… Hennie! Wijntje?