Vanochtend leek de wereld even niets. Me daarom maar gestort op de beheersing van het dagelijkse leven: de koelkast ontdooid en schoongemaakt, lunch bereid (salade van ham, ei, ansjovis en sperziebonen), tuindeur geschuurd en geplamuurd, Griekse hamburgers gebakken en zomergroenten gegrild. Tot slot en geheel naar gewoonte een espresso gedronken. Ik heb me nu enigszins hervonden, geloof ik, en verzoek mijn hypochondrische ik vriendelijk doch dringend om zich weer op zijn kamer terug te trekken.

Vanochtend leek de wereld even niets. Me daarom maar gestort op de beheersing van het dagelijkse leven: de koelkast ontdooid en schoongemaakt, lunch bereid (salade van ham, ei, ansjovis en sperziebonen), tuindeur geschuurd en geplamuurd, Griekse hamburgers gebakken en zomergroenten gegrild. Tot slot en geheel naar gewoonte een espresso gedronken. Ik heb me nu enigszins hervonden, geloof ik, en verzoek mijn hypochondrische ik vriendelijk doch dringend om zich weer op zijn kamer terug te trekken.

'De vraag naar het schone zou wel eens de centrale vraag voor elk ik kunnen zijn,' zegt de Duitse filosoof Wilhelm Schmid in zijn Handboek voor de levenskunst (Ambo, 2004), ‘wat is schoon?’ Ik kijk naar buiten waar de regen op de steigerplanken klettert. Regen kan fijn zijn, denk ik, zeker bij zo’n drukkend weertje als vandaag. Ik loop naar buiten en maak een foto.
Als ik later wat lavendelolie in mijn bad druppel, schiet me een paarse vlakte te binnen, in de Provence. Ik moet vijftien, zestien zijn geweest. Op vakantie met het hele gezin, en onze buren, in juli vermoedelijk. Na een wandeling door een bos bereikten we de gezochte lavendelvelden, wauw! wat een hevige intensiteit van geur en kleur kreeg ik plotsklaps te verwerken, wat een pracht. Na enige gewenning drong zich een donker gebrom aan me op dat van onderen leek te komen; op dijbeenhoogte scheerden honderden, duizenden bijen langs me heen, over de velden, zonder me te raken. Ik ben toen languit op het zandpad gaan liggen en heb tegen een strakblauwe achtergrond een poosje naar de overvliegende bijen gekeken. Dat voelde heel prettig aan. Veilig ook.

'De vraag naar het schone zou wel eens de centrale vraag voor elk ik kunnen zijn,' zegt de Duitse filosoof Wilhelm Schmid in zijn Handboek voor de levenskunst (Ambo, 2004), ‘wat is schoon?’ Ik kijk naar buiten waar de regen op de steigerplanken klettert. Regen kan fijn zijn, denk ik, zeker bij zo’n drukkend weertje als vandaag. Ik loop naar buiten en maak een foto.

Als ik later wat lavendelolie in mijn bad druppel, schiet me een paarse vlakte te binnen, in de Provence. Ik moet vijftien, zestien zijn geweest. Op vakantie met het hele gezin, en onze buren, in juli vermoedelijk. Na een wandeling door een bos bereikten we de gezochte lavendelvelden, wauw! wat een hevige intensiteit van geur en kleur kreeg ik plotsklaps te verwerken, wat een pracht. Na enige gewenning drong zich een donker gebrom aan me op dat van onderen leek te komen; op dijbeenhoogte scheerden honderden, duizenden bijen langs me heen, over de velden, zonder me te raken. Ik ben toen languit op het zandpad gaan liggen en heb tegen een strakblauwe achtergrond een poosje naar de overvliegende bijen gekeken. Dat voelde heel prettig aan. Veilig ook.

Panama City, Florida, 1988

Panama City, Florida, 1988

Wat mijn grootste angst is, vraagt de filosoof, mijn kwetsuur, trauma, aan de hand waarvan mijn ik ‘zichzelf in de kern definieert.’ Tjee. Ik heb wel wat faalangst, maar niet op het ziekelijke af. Ook heb ik last van het witte jassen-syndroom als mijn bloeddruk wordt gemeten, maar dat zou ik nu niet direct een trauma willen noemen. Doodgaan lijkt me ook geen pretje en soms schrik ik wakker uit een droom als ik in een afgrond tuimel of moederziel alleen in een oceaan drijf.
Wacht eens, ik herinner me nu een angstig voorval, een jaar of tien terug, hoog in de Siciliaanse bergen. We namen met onze huurauto, een Fiat Panda, een verkeerde afslag en voordat we het wisten reden we op een pad van twee wielsporen breed schuin naar beneden, met links honderden meters steile diepte en rechts een wand loodrecht omhoog. Keren of achteruitrijden was er niet bij, rechts uitstappen onmogelijk en links levensgevaarlijk. Halverwege maakte de weg een haakse bocht om vervolgens op een klein rotsplateau te eindigen, met een magnifiek uitzicht, dat wel. We schrokken ons opnieuw het apelazarus toen op een tiental meters enkele honden aansloegen en er een kluizenaar uit een hutje verscheen. Met een paar keer steken heb ik vliegensvlug de auto gedraaid en zijn we weer omhoog gereden. Ik voel nu nog het bonzen in mijn keel, bang als ik was om met auto en al het ravijn in te glijden. Hennie zegt altijd dat dit de enige keer is dat ze de angst in mijn ogen heeft zien staan.

Wat mijn grootste angst is, vraagt de filosoof, mijn kwetsuur, trauma, aan de hand waarvan mijn ik ‘zichzelf in de kern definieert.’ Tjee. Ik heb wel wat faalangst, maar niet op het ziekelijke af. Ook heb ik last van het witte jassen-syndroom als mijn bloeddruk wordt gemeten, maar dat zou ik nu niet direct een trauma willen noemen. Doodgaan lijkt me ook geen pretje en soms schrik ik wakker uit een droom als ik in een afgrond tuimel of moederziel alleen in een oceaan drijf.

Wacht eens, ik herinner me nu een angstig voorval, een jaar of tien terug, hoog in de Siciliaanse bergen. We namen met onze huurauto, een Fiat Panda, een verkeerde afslag en voordat we het wisten reden we op een pad van twee wielsporen breed schuin naar beneden, met links honderden meters steile diepte en rechts een wand loodrecht omhoog. Keren of achteruitrijden was er niet bij, rechts uitstappen onmogelijk en links levensgevaarlijk. Halverwege maakte de weg een haakse bocht om vervolgens op een klein rotsplateau te eindigen, met een magnifiek uitzicht, dat wel. We schrokken ons opnieuw het apelazarus toen op een tiental meters enkele honden aansloegen en er een kluizenaar uit een hutje verscheen. Met een paar keer steken heb ik vliegensvlug de auto gedraaid en zijn we weer omhoog gereden. Ik voel nu nog het bonzen in mijn keel, bang als ik was om met auto en al het ravijn in te glijden. Hennie zegt altijd dat dit de enige keer is dat ze de angst in mijn ogen heeft zien staan.

Op de middelbare school deed ik ooit een beroepskeuzetest, lang geleden, ik heb geen idee meer in welke klas. Ik meen nog wel te weten wat de uitkomst was: als kok of houthakker zou ik goed in mijn vel komen te zitten. Het werd militair. Toch heeft de test een voorspellende waarde gehad; kokkerellen en banjeren door de vrije natuur zijn voor mij twee bronnen des levens geworden.
55 vandaag en ondanks alles vol goede moed; ik ben mezelf niet kwijtgeraakt. Dit ben ik, dit is mijn geschiedenis.

Op de middelbare school deed ik ooit een beroepskeuzetest, lang geleden, ik heb geen idee meer in welke klas. Ik meen nog wel te weten wat de uitkomst was: als kok of houthakker zou ik goed in mijn vel komen te zitten. Het werd militair. Toch heeft de test een voorspellende waarde gehad; kokkerellen en banjeren door de vrije natuur zijn voor mij twee bronnen des levens geworden.

55 vandaag en ondanks alles vol goede moed; ik ben mezelf niet kwijtgeraakt. Dit ben ik, dit is mijn geschiedenis.

In augustus 2009 hebben we het huis van Claude Monet in Giverny bezichtigd, dat ten noordwesten van Parijs ligt, op ruim zeventig kilometer, in de regio Haute-Normandie. Het was een broeierige dag en ik genoot van de wandeling door de beroemde tuinen die Monet in zijn laatste levensjaren zo vaak heeft geschilderd. Hij is een van mijn helden. Sinds onze kennismaking meer dan veertig jaar terug heeft hij de wijze waarop ik naar licht en kleur kijk blijvend beïnvloed.

In de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw bezocht Monet enkele malen Holland. Van die bezoeken is maar weinig bekend. Wel heeft hij ons 42 schilderijen nagelaten, die hij in de Zaanstreek, de Bollenstreek en Amsterdam maakte. Meer dan de helft daarvan werd in 1986 in het Van Gogh Museum tentoongesteld. Onlangs heb ik de uitvoerige tentoonstellingscatalogus voor € 5 euro op de kop kunnen tikken. De twee contrasterende schilderijen van de Groenburgwal en de Zuiderkerk - op een grauwe en een zonnige dag - vind ik van een grote schoonheid. Vanmiddag fietste ik langs de plek waar Monet bijna 150 jaar geleden met zijn schildersezel moet hebben gestaan en nam een foto; om toen en nu te kunnen vergelijken.

De diagnose is definitief: ik heb chronische lymfatische leukemie (CLL) / monoklonale B-cel lymfocytose (MBL). Het is, lees ik in het foldertje dat ik meekreeg, niet besmettelijk. In mijn lichaam is sprake van een ‘ongecontroleerde deling van bepaalde witte bloedcellen’, die uiteindelijk tot ‘een overmaat’ leidt, waardoor ik op dat moment niet goed meer zal kunnen functioneren; ik ben dan als het ware doortrokken van abnormale bloedcellen. Tegen die tijd start de behandeling: chemotherapie, immunotherapie, stamceltransplantatie of een combinatie ervan. Enfin, zover is het nog niet. De ‘uitgebreidheid’ van de ziekte is op dit moment van dien aard dat ‘een behandeling kan worden uitgesteld.’ Dat kan maanden duren, maar ook jaren.
Ik heb nog geen CLL-gerelateerde klachten, sta wel stijf van de stress; aan het einde van de dag doen mijn kaken zeer, voel ik steken tussen mijn schouderbladen. Het is nu zaak om de ziekte een plaats te gaan geven, met mezelf in overeenstemming te komen, en weer wat vooruit te kijken. Dat kost tijd. Gelukkig krijg ik veel steun van familie, vrienden, kennissen en collega’s. In Alexander Reeuwijks Darwin, Wallace en de anderen: Evolutie volgens Redmond O’Hanlon (Atlas, 2011) lees ik:
'Je wordt met een willekeurige set eigenschappen geboren en daarmee overleef je - of niet.'
Ik heb me al voortgeplant.

De diagnose is definitief: ik heb chronische lymfatische leukemie (CLL) / monoklonale B-cel lymfocytose (MBL). Het is, lees ik in het foldertje dat ik meekreeg, niet besmettelijk. In mijn lichaam is sprake van een ‘ongecontroleerde deling van bepaalde witte bloedcellen’, die uiteindelijk tot ‘een overmaat’ leidt, waardoor ik op dat moment niet goed meer zal kunnen functioneren; ik ben dan als het ware doortrokken van abnormale bloedcellen. Tegen die tijd start de behandeling: chemotherapie, immunotherapie, stamceltransplantatie of een combinatie ervan. Enfin, zover is het nog niet. De ‘uitgebreidheid’ van de ziekte is op dit moment van dien aard dat ‘een behandeling kan worden uitgesteld.’ Dat kan maanden duren, maar ook jaren.

Ik heb nog geen CLL-gerelateerde klachten, sta wel stijf van de stress; aan het einde van de dag doen mijn kaken zeer, voel ik steken tussen mijn schouderbladen. Het is nu zaak om de ziekte een plaats te gaan geven, met mezelf in overeenstemming te komen, en weer wat vooruit te kijken. Dat kost tijd. Gelukkig krijg ik veel steun van familie, vrienden, kennissen en collega’s. In Alexander Reeuwijks Darwin, Wallace en de anderen: Evolutie volgens Redmond O’Hanlon (Atlas, 2011) lees ik:

'Je wordt met een willekeurige set eigenschappen geboren en daarmee overleef je - of niet.'

Ik heb me al voortgeplant.

In hun liefde voor porselein, voor lak en vernis, in hun minutieuze properheid, hun vasthouden aan oude gebruiken, hun liefde voor bloemen, schilderkunst en snuisterijen zijn de Hollanders uitermate verwant aan de bewoners van het Hemelse Rijk.
Théophile Gautier, 1865
Daar is niets dan orde en schoonheid, / weelde, kalmte, zingenot.
Charles Baudelaire over Holland
Volgende week werk ik samen met artsen de mogelijkheden van mijn toekomstige lichamelijke kunnen verder uit: dit kan ik straks nog wel en dat naar verwachting niet meer, deze behandelingen hebben we ter beschikking en die werken in mijn geval minder goed etc. Als er direct behandeling nodig is, komt het erop aan om zonder uitstel uit de verschillende behandelopties te kiezen. Als behandeling niet direct nodig is, kan de aandacht naast de verdere geestelijke verwerking worden gericht op fundamentele vraagstukken met betrekking tot beroepsuitoefening en woonplaats.
Uit Maarten van der Graaffs pakkende verslag van innerlijke vertwijfelingen in nY nr. 22 blijven de volgende zinnetjes in me haken: ‘Het is een cliché: kunst stelt vragen, maar levert geen antwoorden (of in ieder geval geen definitieve). […] [Z]ijn antwoorden eigenlijk niet veel interessanter dan vragen?’ Nadat ik de zinnetjes twee-, driemaal heb omgedraaid schiet me een definitie van kunst te binnen, van de Duitse filosoof Wilhelm Schmid:
'Iets wat blijkt geeft van een bepaalde bedoeling en van vaardigheid.'
In deze definitie duidt iedere kunstenaar met elk kunstwerk iets of iemand aan of tracht dat op zijn minst: de ‘bepaalde bedoeling’. In de voltrekking van niets naar iets - de schepping van het kunstwerk - maakt de kunstenaar talrijke keuzes, tussen ideeën, ontwerpen, materiaal etc. Elke keuze is een voorkeursbepaling, een antwoord op de vraag aan welke mogelijkheid qua idee, ontwerp, materiaal etc. de kunstenaar op dat moment de voorkeur geeft, bewust of onbewust. Zo bezien zou je kunnen zeggen dat het voltooide kunstwerk in de grond telkens weer een totaalantwoord is op het niets. Het kunstwerk stelt geen vragen, geloof ik, roept ze hooguit bij de beschouwer op.
Aan het einde van de middag nog even naar de boekenmarkt op de Dam gefietst en twee boeken op de kop getikt: The Silver Spoon, ‘bijbel van het authentiek Italiaans koken’, en de tentoonstellingscatalogus van de in 1986 gehouden tentoonstelling Monet in Holland; tezamen € 20.

Volgende week werk ik samen met artsen de mogelijkheden van mijn toekomstige lichamelijke kunnen verder uit: dit kan ik straks nog wel en dat naar verwachting niet meer, deze behandelingen hebben we ter beschikking en die werken in mijn geval minder goed etc. Als er direct behandeling nodig is, komt het erop aan om zonder uitstel uit de verschillende behandelopties te kiezen. Als behandeling niet direct nodig is, kan de aandacht naast de verdere geestelijke verwerking worden gericht op fundamentele vraagstukken met betrekking tot beroepsuitoefening en woonplaats.

Uit Maarten van der Graaffs pakkende verslag van innerlijke vertwijfelingen in nY nr. 22 blijven de volgende zinnetjes in me haken: ‘Het is een cliché: kunst stelt vragen, maar levert geen antwoorden (of in ieder geval geen definitieve). […] [Z]ijn antwoorden eigenlijk niet veel interessanter dan vragen?’ Nadat ik de zinnetjes twee-, driemaal heb omgedraaid schiet me een definitie van kunst te binnen, van de Duitse filosoof Wilhelm Schmid:

'Iets wat blijkt geeft van een bepaalde bedoeling en van vaardigheid.'

In deze definitie duidt iedere kunstenaar met elk kunstwerk iets of iemand aan of tracht dat op zijn minst: de ‘bepaalde bedoeling’. In de voltrekking van niets naar iets - de schepping van het kunstwerk - maakt de kunstenaar talrijke keuzes, tussen ideeën, ontwerpen, materiaal etc. Elke keuze is een voorkeursbepaling, een antwoord op de vraag aan welke mogelijkheid qua idee, ontwerp, materiaal etc. de kunstenaar op dat moment de voorkeur geeft, bewust of onbewust. Zo bezien zou je kunnen zeggen dat het voltooide kunstwerk in de grond telkens weer een totaalantwoord is op het niets. Het kunstwerk stelt geen vragen, geloof ik, roept ze hooguit bij de beschouwer op.

Aan het einde van de middag nog even naar de boekenmarkt op de Dam gefietst en twee boeken op de kop getikt: The Silver Spoon, ‘bijbel van het authentiek Italiaans koken’, en de tentoonstellingscatalogus van de in 1986 gehouden tentoonstelling Monet in Holland; tezamen € 20.